04/07/2020

Rechtsmisbruik kan een private (stedenbouwkundige) herstelvordering verhinderen

In die zin oordeelt het Hof van Cassatie in een arrest van 27 januari 2020 waarbij de herstelvordering van een gebuur met betrekking'' tot de naast gelegen villa wordt afgewezen omdat de afbraak van de buurvilla buiten verhouding staat tot het voordeel dat de houder van de herstelvordering heeft gekregen. Het Hof van Cassatie spreekt duidelijke taal:

'Rechtsmisbruik bestaat in de uitoefening van een recht op een wijze die kennelijk de grenzen te buiten gaat van de uitoefening van dat recht door een bedachtzaam en voorzichtig persoon. Dit is onder meer het geval wanneer de veroorzaakte schade buiten verhouding staat tot het voordeel dat de houder van dat recht nastreeft of heeft verkregen. Bij de beoordeling van de belangen die in het geding zijn, moet de rechter rekening houden met alle omstandigheden van de zaak en met name ook met de houding van degene die andermans recht heeft aangetast.

De appelrechters oordelen vooreerst dat:

- de aanwezigheid van de woning van de verweerders niet of nauwelijks van aard is het rustig genot van de woning van de eisers of hun privacy te schenden;
- er nauwelijks een inkijk is vanuit de woning of vanuit de tuin van de verweerders in de woning of zelfs de tuin van de eisers en omgekeerd het gebouw van de verweerders, gelet op de ruime afstand, niet van aard is het uitzicht vanuit de woning van de eisers of zelfs vanuit hun tuin aanmerkelijk te belemmeren;
- de eisers voor het overige niet aantonen welke concrete schade de bebouwing op het perceel van de verweerders hen zou toebrengen;
- zelfs in de mate dat enige schade in hoofde van de eisers zou bestaan door de bijkomende bebouwing achteraan hun perceel, de impact daarvan op hun woongenot of privacy dermate beperkt is dat het totaal buiten proportie is om de afbraak te vorderen van de woning van de verweerders.

Voorts oordelen zij dat zelfs indien een fout zou komen vast te staan in hoofde van de verweerders, ook al hebben zij volledig gebouwd onder dekking van een weliswaar bestreden maar op dat ogenblik uitvoerbare stedenbouwkundige vergunning die eerst na de bouwwerken werd vernietigd en indien toch het bestaan van enige schade zou moeten worden aangenomen, deze schade, indien aangetoond, dan dermate miniem blijkt te zijn dat een vordering tot afbraak van de woning totaal buiten proportie is en, in de mate dat de eisers aldus een recht zouden kunnen putten uit artikel 1382 Burgerlijk Wetboek, een manifest rechtsmisbruik uitmaakt.

Door aldus, rekening houdend met alle omstandigheden van de zaak waaronder ook de houding van de verweerders, te oordelen dat de vordering tot afbraak buiten proportie is en rechtsmisbruik uitmaakt, verantwoorden de appelrechters hun beslissing naar recht.

De appelrechters stellen niet vast dat de verweerders de bouw van hun woning bewust hebben verdergezet zonder bekommernis voor de rechten van de eisers en om aldus deze laatsten voor een voldongen feit te plaatsen.
In zoverre het middel van die veronderstelling uitgaat, steunt het op een onjuiste lezing van het arrest en mist het feitelijke grondslag'.

Referentie: Cass. 27 januari 2020, nr. C.19.0020.N/1 (Pub2319-6).

Stel hier je vraag bij dit blogbericht


Dirk Van Heuven Handhaving stedenbouw
Meer tags?