Kortrijk
Zonnig
15° - 28°
Antwerpen
Bewolkt
16° - 29°
Blog
Blog
29 maart 2024  | Leandra Decuyper

Afwijken van een 15 jaar oud BPA? Controleer op voorhand of het effectief kan!

Eén van de mogelijkheden om af te wijken van een bijzonder plan van aanleg - afgekort: een BPA - zit vervat in artikel 4.4.9/1 VCRO.

Over artikel 4.4.9/1 VCRO.
Artikel 4.4.9/1 VCRO, zoals eerst ingevoerd met de ‘Codextrein’ van 8 december 2017 geeft de mogelijkheid om af te wijken van de aanvullende stedenbouwkundige voorschriften van een BPA dat meer dan 15 jaar oud is.

Het artikel luidt als volgt:

‘Het vergunningverlenende bestuursorgaan mag bij het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van de stedenbouwkundige voorschriften van een bijzonder plan van aanleg, voor zover dit plan ouder is dan vijftien jaar op het ogenblik van de indiening van de aanvraag.

Afwijkingen kunnen niet toegestaan worden voor wat betreft wegenis, openbaar groen en erfgoedwaarden.

De afwijkingsmogelijkheid, vermeld in het eerste lid, kan slechts worden toegepast voor stedenbouwkundige voorschriften van bijzondere plannen van aanleg die een aanvulling vormen op:
1° de volgende gebiedsaanduidingen, vermeld in het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen:
a) woongebieden, met uitzondering van woonparken;
b) industriegebieden in de ruime zin;
c) dienstverleningsgebieden;
d) gebieden voor gemeenschapsvoorzieningen en openbare nutsvoorzieningen;
2° de volgende aanvullende voorschriften van het gewestplan:
a) gebieden voor service-residentie;
b) kantoor- en dienstenzones;
c) gebieden voor handelsbeursactiviteiten en grootschalige activiteiten;
d) lokale en regionale bedrijventerreinen;
e) luchthavengebonden bedrijventerreinen;
f) gebieden voor luchthavengerelateerde kantoren en diensten;
g) businessparken;
h) teleport;
i) gebieden voor hoofdkwartierfunctie;
j) gebieden hoofdzakelijk bestemd voor de vestiging van grootwinkelbedrijven;
k) zones voor kleinhandel en kleine en middelgrote ondernemingen;
l) kleinhandelszones;
m) zones van handelsvestigingen;
n) gebieden voor zeehaven- en watergebonden bedrijven;
o) zeehavengebieden;
p) gebieden voor watergebonden bedrijven;
q) transportzones;
r) regionale gemengde zones voor diensten en handel;
s) research-, universiteits- en wetenschapsparken;
t) bedrijfsgebied met stedelijk karakter;
u) gemengde woon- en industriegebieden;
v) gemengde gemeenschapsvoorzienings- en dienstverleningsgebied;
w) stedelijke ontwikkelingsgebieden;
x) gebieden voor duurzame stedelijke ontwikkeling;
y) gebieden voor kernontwikkeling.

 De afwijkingsmogelijkheid, vermeld in het eerste lid, kan niet worden toegepast voor bijzondere plannen van aanleg die voorzien in stedenbouwkundige voorschriften voor agrarisch gebied, ruimtelijk kwetsbaar gebied of recreatiegebied in afwijking van het gewestplan of voor gebieden die in uitvoering van artikel 5.6.8 van deze codex aangeduid zijn als watergevoelig openruimtegebied.

 Elke aanvraag tot afwijking overeenkomstig het eerste lid, wordt onderworpen aan een openbaar onderzoek.

 De gemeenteraad kan gemotiveerd beslissen dat voor een bijzonder plan van aanleg, de afwijkingsmogelijkheid, vermeld in het eerste lid, niet kan worden toegepast. Deze gemeenteraadsbeslissing wordt bij uittreksel bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad. Ze treedt in werking veertien dagen na de bekendmaking ervan en is van toepassing op vergunningsaanvragen die worden ingediend vanaf de inwerkingtreding ervan.'

In de parlementaire voorbereiding wordt uitvoerig toegelicht dat de afwijkingsmogelijkheid van artikel 4.4.9/1 VCRO enkel geldt voor aanvullende BPA’s en die voorschriften die een aanvulling vormen op de onderliggende gewestplanbestemming:

‘In bepaalde gevallen kan afgeweken worden van stedenbouwkundige voorschriften van bijzondere plannen van aanleg (BPA’s) ouder dan vijftien jaar.

Dit amendement voorziet in de mogelijkheid voor het vergunningverlenende bestuursorgaan om af te wijken van stedenbouwkundige voorschriften van verouderde, aanvullende BPA’s.

(…)

De BPA’s die ouder dan vijftien jaar zijn, blijven bestaan. Zij kunnen nog steeds dienen als grond voor vergunningen. Het moet evenwel mogelijk worden om terug te grijpen naar de gewestplanbestemming die eraan voorafging. Zo kan bijvoorbeeld een gewestplan met daarin opgenomen de bestemming ‘woongebied’ meer ruimte bieden voor verdichting en verhoging van het ruimtelijk rendement dan een BPA dat deze bestemming nader verfijnt, vaak op basis van inmiddels voorbijgestreefde voorschriften.

Om een verdichting op locaties met bestaande ‘harde’ bestemmingen te faciliteren, is in de afwijkingsmogelijkheid enkel voorzien waar er een onderliggende ‘harde’ gewestbestemming geldt.

Bovendien is de afwijkingsmogelijkheid beperkt tot bijzondere plannen van aanleg die aanvullend zijn. Afwijkende BPA’s worden uitgesloten van het toepassingsgebied. Aldus wordt vermeden dat BPA’s die een harde gewestplanbestemming omzetten in een zachte bestemming, buiten werking worden gesteld.

De gewestplanvoorschriften waarop de afwijkingsregel van toepassing is, zijn limitatief opgesomd.

De afwijkingsregel heeft vooreerst betrekking op een aantal harde stedenbouwkundige voorschriften die opgenomen zijn in het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen (bijvoorbeeld ‘industriegebied’, ‘dienstverleningsgebied’ en ‘woongebied’).

Bovendien is de afwijkingsregel ook van toepassing op een aantal aanvullende harde gewestplanvoorschriften (bijvoorbeeld teleport of gebieden voor hoofdkwartierfunctie).

De harde gewestplanbestemming ‘woonpark’ werd daarentegen niet opgenomen omdat zij specifieke voorschriften bevat die zich lenen tot aanvullende voorschriften van BPA’s die vanuit buffering of landschappelijke inpassing wenselijk kunnen zijn.

Uiteraard zijn de zachte gewestplanvoorschriften van het toepassingsgebied van de nieuwe afwijkingsregeling uitgesloten.

Geen onbeperkte afwijkingsmogelijkheid

Algemeen

Het betreft een afwijking met een beperkte impact.

Het is immers een afwijkingsregeling die strikt geïnterpreteerd moet worden.

Bovendien geeft het op geen enkel ogenblik een recht op afwijking. Het is slechts een mogelijkheid voor het vergunningverlenende bestuursorgaan.

Openbare wegenis, openbaar groen en erfgoedwaarden

De aanduiding van de openbare wegenis en het openbaar groen op BPA’s wordt, net zoals bij verkavelingsvergunningen, als een essentieel ordeningselement beschouwd. Van voorschriften inzake erfgoedwaarden kan evenmin worden afgeweken, vermits deze als essentieel worden beschouwd voor de bescherming van de esthetiek van bestaand onroerend erfgoed. Hier kan dan ook niet van worden afgeweken via de voorgestelde afwijkingsregeling voor stedenbouwkundige voorschriften bij BPA’s die ouder zijn dan vijftien jaar.

Een bestemmingswijziging is vereist, wil men iets aan de openbare wegenis of het openbaar groen van het plangebied wijzigen.

Alleen voor BPA’s met stedenbouwkundige voorschriften voor harde bestemmingen ter aanvulling/verfijning van hetonderliggende gewestplan

Evenmin kan de afwijkingsmogelijkheid toepassing vinden voor BPA’s die in een afwijkende bestemming van het onderliggende gewestplan voorzien.

Een BPA dat zowel in toegelaten als in verboden bestemmingen voorziet die in het gewestplan kunnen worden ingepast, houdt geen afwijking van het gewestplan in.

Aldus doet de nieuwe regeling geen afbreuk aan de verordenende kracht van de voorschriften van BPA’s die afwijken van de onderliggende gewestplanbestemming. Harde gewestplanbestemmingen die door een afwijkend BPA naar een zachte bestemming zijn omgezet, kunnen dus niet buitenspel worden gezet. Voorheen geldende, maar vervangen ‘harde’ bestemmingen herleven met deze bepaling niet. De bestemming die in dergelijke afwijkende BPA’s opgenomen is, blijft onverkort gelden.

Het verschil tussen een afwijkend en aanvullend BPA vindt grondslag in het toenmalige artikel 14, vierde lid, van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996.

Op grond van dit artikel was voorzien dat wanneer een gewestplan bestaat, het BPA zich richt naar de aanwijzingen en bepalingen ervan, het BPA ze aanvult, en het er desnoods van kan afwijken.

Zo hoeft een BPA dat over de ordening van woongebied beslist, het gebied niet uitsluitend te bestemmen voor wonen.

Als het BPA ruimte biedt voor andere functies dan de functie wonen, mogen deze functies, opdat geen sprake zou zijn van een afwijking van de gewestplanbestemming, niet een dergelijke omvang aannemen dat zij het verwezenlijken van de hoofdbestemming uitsluiten.

De verruimde afwijkingsmogelijkheid mag niet leiden tot ruimtelijke wanordening.

Vooreerst vallen de BPA’s die in afwijking van harde bestemmingen van het gewestplan, in zachte bestemmingen voorzien, buiten het toepassingsgebied van de regeling.

Het vergunningverlenende bestuur blijft voorts in het kader van de beoordeling van de goede ruimtelijke ordening, rekening houdend met de verruimde toetsingscriteria van paragraaf 2 van artikel 4.3.1 VCRO (met inlassing van het criterium van het ‘ruimtelijk rendement’: zie artikel 53, 3°, van het ontwerp van decreet) bevoegd om vergunningsaanvragen te weigeren of aan een vergunning voorwaarden te stellen. Ter zake blijft de discretionaire appreciatiebevoegdheid van het vergunningverlenend bestuur intact.'

Kortom, de toepassing van artikel 4.4.9/1 VCRO, die een afwijkingsbepaling betreft die strikt moet geïnterpreteerd worden, is afhankelijk van tal van voorwaarden, dewelke als volgt kunnen samengevat worden:

  • het BPA dient ouder te zijn dan 15 jaar en mag niet 'herbevestigd' zijn door de gemeenteraad

  • afwijkingen zijn niet mogelijk voor wegenis, openbaar groen en erfgoedwaarden

  • enkel voor BPA’s gelegen in een harde gewestplanbestemming

  • verplicht openbaar onderzoek (dus binnen gewone omgevingsvergunningsprocedure)

  • enkel voor aanvullende BPA’s en niet voor afwijkende BPA’s

Een en ander werd door de Raad voor Vergunningsbetwistingen in het arrest nr. RvVb-A-2324-0531 van 14 maart 2024 op scherp gesteld.

Arrest RvVb-A-2324-0531 van 14 maart 2024: het al dan niet afwijkend karakter van een BPA moet bekeken worden op het niveau van het volledige BPA.
Recent diende de Raad voor Vergunningsbetwistingen zich te buigen over de vraag of het aanvullend dan wel afwijkend karakter van het BPA zonaal moet bekeken worden of op het niveau van het volledige BPA.

Het BPA Stientjesstraat van de gemeente Anzegem - waaromtrent de discussie woedde - voorziet immers in diverse bestemmingen, terwijl het gewestplan dat aan het BPA ten onder ligt ook diverse bestemmingen heeft.

De Raad trad de verzoekende partij bij en oordeelde formeel dat een BPA in de regel één en ondeelbaar is en in zijn geheel als afwijkend of als aanvullend moet worden gekwalificeerd bij de beoordeling of de afwijkingsmogelijkheid van artikel 4.4.9/1 VCRO kan toegepast worden. Verwerende partij kon aldus niet bijgetreden worden in diens argumentatie dat per bestemmingszone van het onderliggend gewestplan moet gekeken worden of kan afgeweken worden van het BPA:

'In tegenstelling tot wat de verwerende partij voorhoudt, is het niet zo dat met artikel 4.4.9/1 VCRO kan worden afgeweken van een BPA dat deels afwijkt van het onderliggend gewestplan terwijl de aanvraag gelegen is binnen een zone van het BPA die ten opzichte van het onderliggend gewestplan aanvullend zou zijn. Een BPA is in de regel immers één en ondeelbaar en moet dus in zijn geheel als afwijkend of aanvullend worden gekwalificeerd. Dit is des te meer het geval omdat artikel 4.4.9/1 VCRO een uitzonderingsbepaling is en als dusdanig restrictief moet worden geïnterpreteerd.'

Vervolgens besloot de Raad voor Vergunningsbetwistingen dat het BPA Stientjesstraat - daarbij onder meer verwijzend naar de toepassing van artikel 14, vierde lid van het Coördinatiedecreet 1996 bij de vaststelling van het BPA - als een van het gewestplan afwijkend BPA moet beschouwd worden en de toepassing van artikel 4.4.9/1 VCRO derhalve uitgesloten is:

'3.6
Vervolgens rest de vraag of het BPA Stientjesstraat moet worden beschouwd als aanvullend dan wel afwijkend van het gewestplan. De Raad stelt vast dat het BPA een sectoraal BPA is dat tot doel heeft “een grenscorrectie aan te brengen in functie van de vraag van het bedrijf voor een economisch noodzakelijke en dringende uitbreiding van de bedrijfsgebouwen”. Het agrarisch gebied wordt daardoor herbestemd tot een ‘zone voor bedrijvigheid’, in functie van de bestendiging en uitbreiding van een groothandel in zuivelproducten. Deze zone heeft als hoofdbestemming opslag en distributie en als nevenbestemming verwerking en productie. Het lijdt geen twijfel dat dit geen (para-)agrarische activiteiten uitmaken. Zo bevestigt ook de verwerende partij in de bestreden beslissing dat het BPA Stientjesstraat afwijkend is ten opzichte van het onderliggend agrarisch gebied.

Waar de hoofdklemtoon in het BPA ligt bij de herbestemming van het agrarisch gebied moet er redelijkerwijze worden besloten dat het om een afwijkend BPA gaat. Dit wordt overigens ook bevestigd in de toelichtingsnota bij het BPA, waarin meermaals wordt gesteld dat het gaat om een “BPA dat afwijkt van het gewestplan”. Daarenboven wordt de afwijking van het gewestplan in diezelfde toelichtingsnota gemotiveerd. Daarin wordt toegelicht dat (1) de bestemming op het gewestplan is achterhaald, (2) de nieuwe bestemming beantwoordt aan een bestaande nood en (3) er stedenbouwkundige motieven zijn voor de wijziging van de bestemming. Deze motivering grijpt kennelijk terug naar de voorwaarden opdat een BPA kan afwijken van het gewestplan, zoals bedoeld in het thans geldende artikel 14, vierde lid van het Coördinatiedecreet 1996. Er kan dan ook bezwaarlijk worden ontkend dat het BPA in het rechtsverkeer werd gebracht als een afwijkend BPA, en niet zoals de verwerende partij in de bestreden beslissing voorhoudt als een aanvullend BPA.

De vraag of het BPA ook afwijkend is ten aanzien van het onderliggend woongebied met landelijk karakter is in feite dan nog weinig relevant. Wel kan de Raad, voor zoveel als nodig, nog vaststellen dat in het BPA de (paarse) “zone voor bedrijvigheid” deels werd doorgetrokken over de onderliggende gewestplanbestemming woongebied met landelijk karakter, terwijl in deze zone ‘wonen’ uitdrukkelijk uitgesloten is tenzij binnen de afgebakende rood gearceerde zone voor een bedrijfswoning. Er moet dus ook hier, voor zoveel als nodig, vastgesteld worden dat dit voorschrift ook de verwezenlijking van het onderliggend woongebied met landelijk karakter minstens wezenlijk beperkt.

3.7

De afwijkingsmogelijkheid van artikel 4.4.9/1 VCRO kan enkel worden toegepast voor stedenbouwkundige voorschriften van een aanvullend BPA. Uit bovenstaande overwegingen blijkt dat het BPA Stientjesstraat geen aanvullend, maar wel een afwijkend BPA uitmaakt. In de bestreden beslissing werd dan ook ten onrechte toepassing gemaakt van artikel 4.4.9/1 VCRO.

Het middel is gegrond.'

De integrale tekst van het arrest vindt u hier.

Deel dit artikel