16/10/2012

Schorsingsprocedures maken weinig of geen kans bij handelsvestigingen (bis)

In een arrest nr. 220.854 van 2 oktober 2012 werd de vordering van een gemeente en van enkele kleinhandelaars afgewezen tegen de sociaal-economische vergunning voor de uitbreiding van een handelsgeheel.

Nogmaals wordt bewezen hoe dat het moeilijk te herstellen ernstig nadeel in zaken van handelsvestigingen zelden tot nooit wordt aanvaard:

“Luidens artikel 17 § 3, vierde lid van de gecoördineerde wetten op de Raad van State bevat de vordering tot schorsing een uiteenzetting van de middelen en de feiten die volgens de indiener ervan het bevelen van de schorsing rechtvaardigen. Artikel 8, eerste lid, 3° van het koninklijk besluit van 5 december 1991 tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State, bepaalt dat het enig verzoekschrift “een uiteenzetting (bevat) van de feiten die van aard zijn aan te tonen dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte de verzoekende partij een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen, waarbij alle stukken worden gevoegd die het risico op dergelijk nadeel aantonen.

Uit deze bepalingen volgt dat de verzoekende partij in haar verzoekschrift duidelijk en concreet moet aangeven waarin precies het moeilijk te herstellen ernstig nadeel is gelegen dat zij ingevolge de onmiddellijke tenuitvoerlegging van het bestreden besluit ondergaat of dreigt te ondergaan. De verzoekende partij mag zich daarbij niet beperken tot vaagheden en algemeenheden, maar dient integendeel zeer concrete en precieze gegevens aan te brengen waaruit blijkt dat zij persoonlijk een moeilijk te herstellen ernstig nadeel ondergaat of dreigt te ondergaan.

Het moet voor de Raad van State immers mogelijk zijn met voldoende precisie in te schatten of er al dan niet een moeilijk te herstellen ernstig nadeel voorhanden is en het moet voor de verwerende partij mogelijk zijn zich tegen de door de verzoekende partij aangevoerde feiten en argumenten te verdedigen.

De verzoekende partij moet gegevens aanvoeren die enerzijds wijzen op de ernst van het nadeel dat zij ondergaat of kan ondergaan, hetgeen betekent dat zij aanduidingen zal moeten geven omtrent de aard en de omvang van het te verwachten nadeel, en anderzijds wijzen op de moeilijke herstelbaarheid van het nadeel.

Bij het beoordelen van deze schorsingsvoorwaarde kan alleen rekening worden gehouden met wat ter zake in het verzoekschrift is aangevoerd en met de bij dat verzoekschrift gevoegde stukken.
              
Met de verwerende partij en de tussenkomende partij moet worden vastgesteld dat de eerste verzoekende partij op geen enkele concrete wijze aannemelijk maakt dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing ingrijpende gevolgen zal hebben voor de uitoefening van haar beleid of de vervulling van haar taken of de werking van haar diensten in het gedrang zal brengen, zodat in haren hoofde geen moeilijk te herstellen ernstig nadeel wordt aangetoond.

De tweede verzoekende partij, de nv L. is gevestigd (...) en exploitant van de handelszaak “G.”. 
De derde verzoeker, D.M., baat (...)  respectievelijk het restaurant  “B.” en de brasserie-tearoom “P." uit (beide maken deel uit van het shoppingcenter “M.”).
De vierde verzoekende partij, de nv G. M. , baat (...) een “A”-vestiging met benzinestation uit.

Het commercieel nadeel dat deze verzoekende partijen aanvoeren en dat het gevolg zou zijn van de moeilijkere bereikbaarheid van hun handelszaken, komt in wezen neer op een financieel nadeel. Een financieel nadeel is in beginsel niet moeilijk te herstellen. De verzoekende partijen brengen geen enkel concreet gegeven bij waaruit kan blijken dat dit te dezen wel het geval zou zijn. Het enkele betoog dat hun handelszaken ingevolge het verkeersaantrekkende effect van de verleende socio-economische vergunning moeilijker bereikbaar zullen zijn, volstaat niet om aan te tonen dat zij ingevolge de onmiddellijke tenuitvoerlegging van het bestreden besluit dermate in hun bedrijfsvoering zullen worden belemmerd dat hun voortbestaan of leefbaarheid ernstig in het gedrang wordt gebracht. De verzoekende partijen brengen overigens geen enkel concreet gegeven bij met betrekking tot hun financiële toestand, en de impact hierop ingevolge de tenuitvoerlegging van de bestreden socio-economische vergunning.

Daarenboven blijkt uit de gegevens van de zaak dat de handelszaken van de tweede, de derde en de vierde verzoekende partij op ruime afstand van de vergunde handelsvestiging zijn gelegen en dat met de bestreden socio-economische vergunning geen rechtstreekse concurrenten in het betrokken “[handelsgeheel]" blijken te worden toegelaten.

Er dient dan ook te worden vastgesteld dat de uiteenzetting van de verzoekende partijen geen concrete en precieze gegevens bevatten die aannemelijk maken dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van het bestreden besluit een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen in de zin van artikel 17, § 2 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarden om de schorsing van de tenuitvoerlegging te kunnen bevelen. Die vaststelling volstaat om de vordering af te wijzen.”

Referentie : Pub503387-3
Stel hier je vraag bij dit blogbericht


Dirk Van Heuven Handelsvestigingen Raad van State
Meer tags?