Kortrijk
Bewolkt
13° - 19°
Antwerpen
Regen
13° - 19°
Blog
Blog
12 augustus 2010  | Dirk Van Heuven

Schending van het beginsel van behoorlijk burgerlijkschap mildert aansprakelijkheid van foutieve overheid

In een aansprakelijkheidsdossier, na vernietigingarrest van de Raad van State van de weigering van een milieuvergunning, argumenteerde de overheid dat zij geen fout heeft gemaakt en wel doordat de vergunningsaanvrager in de procedure die aan het weigeringsbesluit voorafging onvoldoende alert heeft gereageerd.
Daardoor zou het oorzakelijk verband tussen door de Raad van State vernietigde besluit en de aangevoerde schade zijn doorbroken, minstens zou er sprake zijn van een gedeelde aansprakelijkheid.

De rechtbank van eerste aanleg te Brussel volgt deze argumentatie gedeeltelijk:

“De omstandigheid dat het slachtoffer zelf een fout heeft gepleegd die in oorzakelijk verband staat tot zijn schade, leidt niet door doorbraak van het oorzakelijk verband doch enkel tot een verdeling van aansprakelijkheid tussen het slachtoffer en de aansprakelijke partij.

Het blijkt uit de gegevens van de zaak dat de [vergunningsaanvrager] inderdaad niet heeft gereageerd op het beroepsschrift van de Vlaamse Landmaatschappij dat haar werd betekend. In dat beroepsschrift waren nochtans aantallen opgenomen van mestvarkens die door de [vergunningsaanvrager] in verschillende inrichtingen zouden zijn geëxploiteerd, die niet correct waren, en die aldus misleidend waren voor de minister. De Vlaamse Landmaatschappij heeft in een navolgend ongunstig advies aan de minister nog verdere onjuiste gegevens verstrekt. De Raad van State heeft geoordeeld dat de minister de juiste aantallen had moeten achterhalen, zodat er wel degelijk van machtsoverschrijding sprake was, doch dit staat er niet aan in de weg dat de [vergunningsaanvrager] zich, zoals de auditeur bij de Raad van State het treffend heeft gesteld “heel wat moeilijkheden had kunnen besparen door een minimale alertheid aan de dag te leggen bij de ontvangst van de beslissing in eerste aanleg en het administratief beroep.

Het mag immers worden aangenomen dat wanneer de [vergunningsaanvrager] alert had gereageerd door in de loop van de beroepsprocedure tussen te komen en de betrokken instanties te wijzen op de correcte aantallen dieren die door haar werden gehouden in de verschillende inrichtingen, er een ernstige kans bestond dat de minister van deze juiste aantallen was uitgegaan en de weigeringsbeslissing niet had genomen.

Van een vennootschap die voor een inrichting een milieuvergunning aanvraagt kan worden verwacht dat zij met aandacht de beroepsprocedure volgt waarvan het verder overleven van de inrichting afhangt, en aldus actief tussenkomt om foutieve gegevens die in deze procedure worden naar voren gebracht door een overheidsdienst zoals de Vlaamse Landmaatschappij te trachten recht te zetten. De passieve houding van de [vergunningsaanvrager] getuigde niet van een gedrag van een normale aandachtige exploitant van een milieuvergunningsplichtig bedrijf kon worden verwacht, en maakte bijgevolg een fout uit in de zin van artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek.

De omstandigheid dat de Raad van State in het vernietigingsarrest heeft overwogen dat de [vergunningsaanvrager] “het beginsel van behoorlijk burgerschap (niet) zodanig heeft geschonden” dat het het Vlaams Gewest “ten euvel kon worden geduid in de bestreden beslissing met de gewijzigde situatie geen rekening te hebben gehouden”, doet hieraan geen afbreuk. De Raad van State heeft immers weldegelijk overwogen dat “het beginsel van behoorlijk burgerschap” door de [vergunningsaanvrager] werd geschonden, doch dat deze overtreding niet zodanig ernstig was dat deze diende te leiden tot een afwezigheid van machtsoverschrijding in hoofde van het Vlaams Gewest.

Door deze fout heeft de [vergunningsaanvrager] een kans verloren op het vermijden van de schade die zich ten gevolge van het weigeringsbesluit van 15 oktober 1998 heeft voorgedaan.

Bij de verdeelsleutel die de rechtbank dient toe te passen op de aansprakelijkheidsverdeling tussen het Vlaams Gewest en de [vergunningsaanvrager] dient rekening gehouden te worden, naast de zwaarwichtigheid van de gepleegde fouten, met de bijdrage van deze fouten tot de totstandkoming van de schade, waarbij de schade in hoofde van de [vergunningsaanvrager] enkel bestaat uit het verlies van de kans dat de schade die zich heeft voorgedaan, zich niet zou voordoen.

Rekening houdend met enerzijds de grotere ernst van de door het Gewest gepleegde fout, en anderzijds de vrij grote kans die door de [vergunningsaanvrager] ingevolge haar eigen fout werd verloren, acht de rechtbank het gepast dat het Vlaams Gewest instaat voor 75% van de schade die het gevolg is van het weigeringsbesluit van 15 oktober 1998”.


Ref. Rb. Brussel 29 juli 2010, ng (D7468/1)

Deel dit artikel