Kortrijk
Regen
4° - 8°
Antwerpen
Regen
5° - 10°
Blog
Blog
10 april 2014  | Dirk Van Heuven

Onbewoonverklaring van een eerder ongeschikt bevonden pand kan niet ontvankelijk worden aangevochten

De verzoeker die een beslissing van de burgemeester tot onbewoonbaarverklaring van zijn logementshuis aanvocht voor de Raad van State krijgt nul op rekwest:

'8. De vraag die de besproken exceptie doet rijzen is niet of de bestreden beslissingen al dan niet ertoe strekken de rechtsorde te wijzigen en al dan niet voor vernietiging vatbaar zijn, maar of verzoeker er in de concrete omstandigheden van de zaak al dan niet een voldoende belang bij heeft om ze vernietigd te zien worden. In dat verband moet worden vastgesteld dat ze hem als zodanig geen nieuw, bijkomend nadeel doen lijden en dat hun vernietiging hem feitelijk geen werkelijk voordeel zou bijbrengen.

9. Reeds vóór de bestreden beslissingen volgde uit de besluiten van 27 december 2011 van ongeschiktverklaring, en uit het daarmee verband houdende verval van het conformiteitsattest en de intrekking van de uitbatingsvergunning, dat het verzoeker verboden was de kamerwoning nog voort uit te baten en de kamers te verhuren of voor bewoning ter beschikking te stellen. In dit licht brengen de aangevochten onbewoonbaarverklaringen verzoeker geen supplementair nadeel bij.

10.Zoals artikel 9 van de ongeschiktverklaringen van 27 december 2011 uitwijst, kunnen de ongeschiktverklaringen pas worden opgeheven nadat een conformiteitsattest wordt voorgelegd. Tot zolang kan verzoeker ook niet de uitbatingsvergunning verkrijgen die voor het uitbaten van een kamerwoning vereist is. Het conformiteitsattest is immers één van de bescheiden die overeenkomstig artikel 197 van de algemene politieverordening van de stad K. op straffe van onontvankelijkheid van de aanvraag tot uitbatingsvergunning, bij de aanvraag gevoegd moeten worden. Een vernietiging van de bestreden beslissingen zou daar niets aan veranderen. Voorts kan, gelet op artikel 9 van de bestreden onbewoonbaarverklaringen, na de voorlegging van het conformiteitsattest evengoed een einde worden gesteld aan die besluiten als aan de ongeschiktverklaringen. Weliswaar verklaart verzoeker dat hij met de vernietiging niet nastreeft om de exploitatie van de kamerwoning te hervatten zonder over de nodige toelatingen en vergunningen te beschikken, maar welk voordeel hij dan wel concreet verwacht ten gevolge van een eventuele vernietiging, blijft ten enen male onduidelijk.

11. Dat verzoeker, zoals hij in de laatste memorie betoogt, diverse verbeteringswerken heeft uitgevoerd in het onroerend goed met het oog op het verkrijgen van de noodzakelijke toelatingen en vergunningen, mag waar zijn, maar doet voor de beoordeling van zijn belang te dezen niet ter zake. Waar – gelet op stuk 16 van verzoeker – in de ongeschiktverklaringen van 27 november 2011 “een negatief brandweerverslag als gebrek vastgesteld werd”, was het voor verzoeker zaak om met het oog op het verkrijgen van een conformiteitsattest het nodige te doen voor een positief brandweerverslag. Het brandweerverslag van 22 maart 2012 over de controle van 20 maart 2012, dat aan de bestreden beslissingen ten grondslag ligt, was evenwel manifest ongunstig. Die conclusie wordt door verzoeker niet wezenlijk betwist. Integendeel laat hij expliciet verstaan dat de controle van 20 maart 2012 te vroeg kwam en dat hij dan nog “volop bezig was met het uitvoeren van werken”.

12. De exceptie van gebrek aan belang komt bijgevolg gegrond voor'.

Deel dit artikel