Kortrijk
Bewolkt
11° - 22°
Antwerpen
Bewolkt
13° - 23°
Blog
Blog
02 juli 2013  | Dirk Van Heuven

Gemeente mag onwetendheid adreswijziging bij openbaar onderzoek niet veinzen

Overeenkomstig artikel 7 van het besluit van de Vlaamse regering van 5 mei 2000 betreffende de openbare onderzoeken over aanvragen tot stedenbouwkundige vergunning en verkavelingsaanvragen moeten de eigenaars van alle aanpalende percelen voor de aanvang van het openbaar onderzoek bij een ter post aangetekende brief of bij een individueel bericht tegen ontvangstbewijs in kennis worden gesteld van de aanvraag tot stedenbouwkundige vergunning. Hierbij mag de gemeente zich baseren op de meest recente kadastrale legger. Indien zijzelf evenwel over nog recentere informatie beschikt, dient zij deze te gebruiken. Meer specifiek luidt het in bovenvermelde bepaling als volgt: 'De gemeente zoekt de namen en adressen van de eigenaars op. Onder het begrip eigenaar mag worden begrepen de eigenaar volgens de meest recente door de diensten van het kadaster aan de gemeente verstrekte informatie, tenzij de gemeente beschikt over recentere informatie.'
Dit laatste werd onlangs in een arrest van de Raad voor Vergunningsbetwistingen van 30 april 2013 op scherp gesteld. De feiten zijn als volgt. Een naamloze vennootschap is eigenaar van een aantal percelen. De maatschappelijke zetel van deze vennootschap is evenwel sinds 1999 gevestigd op een ander adres. Bij een eerste gevoerd openbaar onderzoek werd deze naamloze vennootschap niet aangeschreven. Uit het administratief dossier bleek dat de gemeente zich op de kadastrale gegevens had gebaseerd die nog geen melding maakten van een adreswijziging. De naamloze vennootschap heeft evenwel alsnog een bezwaar ingediend en maakte hierbij melding van haar adreswijziging. Omwille van planaanpassingen werd er nadien een nieuw openbaar onderzoek gehouden. Opnieuw werd de naamloze vennootschap aangeschreven op haar oud adres.
De Raad stelt in bovenvermeld arrest dienaangaande het volgende: 'De Raad stelt echter uit stuk 7 van de verzoekende partijen vast dat de eerste verzoekende partij [de naamloze vennootschap] het bezwaarschrift van 26 maart 2009 uitdrukkelijk haar maatschappelijke zetel te Diepenbeek heeft vermeld. De gemeente beschikte bij de organisatie van het tweede openbaar onderzoek dus over recentere informatie en had de eerste verzoekende partij dan ook, gelet op artikel 7, eerste en zesde lid van het voormelde besluit, moeten aanschrijven op het adres van haar maatschappelijk zetel.
Hieraan wordt geen afbreuk gedaan door het feit dat de eerste verzoekende partij wel reageerde en een bezwaar indiende op de eerste kennisgeving op het adres ‘......., 3620 Lanaken’. Aangezien de eerste verzoekende partij uitdrukkelijk haar maatschappelijke zetel vermelde in haar eerdere bezwaarschrift, kon de gemeente er niet rechtmatig op vertrouwen dat zij de eerste verzoekende partij nog op het adres ‘......., 3620 Lanaken’ mocht aanschrijven. De eerste verzoekende partij werd bij het openbaar onderzoek naar aanleiding van de gewijzigde aanvraag niet correct aangeschreven, zoals voorzien in het voormelde besluit van 5 mei 2000, zodat zij geen bezwaar heeft kunnen indienen met betrekking tot de gewijzigde aanvraag. Hierdoor werd de substantiële vormvereiste van het openbaar onderzoek geschonden.
Nu de eerste verzoekende partij haar bezwaren ten aanzien van de gewijzigde aanvraag niet kenbaar heeft kunnen maken, heeft de verwerende partij de aanvraag ook niet kunnen beoordelen op basis van alle ter zake dienende gegevens en heeft zij dus niet met kennis van zaken over de aanvraag beslist.
Het feit dat de eerste verzoekende partij op een feitelijke wijze kennis kreeg van het eerste openbaar onderzoek, doet aan bovenstaande geen afbreuk. Het middel is in de aangegeven mate gegrond'.

Deel dit artikel