Kortrijk
Regen
4° - 9°
Antwerpen
Regen
5° - 10°
Blog
Blog
05 januari 2015  | Dirk Van Heuven

Geen recht op verlenging van gemeentelijk ambt na pensioengerechtigde leeftijd

Een gemeentesecretaris beoogde de schorsing van de tenuitvoerlegging van de beslissing van de gemeenteraad van een gemeente om geen gunstig gevolg te geven aan zijn verzoek om zijn ambt met 1 jaar te verlengen.

De Raad van State verwierp deze vordering in het arrestnr. 229.434 van 2 december 2014 en wel op hiernavolgende gronden:

De bestreden beslissing verwerpt de vraag van verzoeker van 13 maart 2014 om zijn ambt als gemeentesecretaris met één jaar te verlengen en de argumentatie die hij daartoe aanvoerde.

Met het motief dat in het middel in de eerste plaats wordt betwist, lijkt de gemeente alleen maar te antwoorden op het argument van verzoeker dat een inwilliging van zijn vraag een goede zaak zou zijn voor het budget van de gemeente.

Het antwoord houdt in dat dit niet het geval is, maar dat de inwilliging integendeel een meeruitgave van meer dan 30.000 euro zou betekenen.

Dit lijkt, anders dan verzoeker meent, niet zomaar in strijd met de ratio legis van het voormelde decreet van 17 januari 2014.

Tenminste in de huidige stand van zaken wordt aangenomen dat de mogelijkheid voor een statutaire ambtenaar om na de leeftijd van 65 jaar in dienst van de gemeente te blijven, een ‘gunstregime’ betreft (verslag namens de commissie, Parl.St. Vl. Parl.2013-2014, nr. 2205/2, 3) dat slechts toepassing kan vinden met wederzijdse instemming, wat impliceert dat beide partijen de verlenging in hun belang achten. Zoals ‘niemand verplicht [kan] worden na de leeftijd van 65 jaar verder te blijven werken’ (voormeld verslag namens de commissie, p. 3) staat het, omgekeerd, ook ter beoordeling van het bestuur – weliswaar binnen de grenzen van de wettigheid, inbegrepen de redelijkheid – of er al dan niet reden is om op het verzoek tot verlenging in te gaan (memorie van toelichting, Parl.St Vl. Parl. 2013-2014, nr. 2205/1, 4-5):

‘In een beleidscontext die werken tot op hogere leeftijd aanmoedigt en waarbij de pensioengerechtigde leeftijd van het overheidspersoneel geleidelijk opgetrokken wordt om de pensioenuitgaven onder controle te houden, past het niet om obstakels in stand te houden voor individuen of besturen die vragende partij zijn voor werken na de leeftijdsgrens van 65 jaar. Vast aangestelde statutaire personeelsleden die na die leeftijd aan het werk blijven, dragen ook langer bij aan de pensioenen.
Als de federale overheid daarnaast op grond van haar bevoegdheid voor de pensioenregeling initiatieven ontplooit om de combinatie van een pensioen en werken verder te faciliteren en zo het inkomen van de gepensioneerde te verbeteren, is het evenmin gepast een algemeen verbod op werken na 65 jaar op te leggen. Zolang personen aan het werk blijven, is het behoud van hun inkomen en levensstandaard verzekerd.
De aanstellende overheid kan er in bepaalde omstandigheden, zoals nood aan tijdelijk behoud van expertise, belang bij hebben om een vast aangesteld statutair personeelslid langer in dienst te houden. Anderzijds kunnen individuele personeelsleden er op basis van persoonlijke motieven voor kiezen om na 65 jaar aan het werk te blijven. Het voorliggende beleidsinitiatief speelt op die vraag van beide kanten in. Het gaat altijd om individuele gevallen. Er is dan ook geen sprake van omzeiling van de algemeen vastgestelde leeftijdsgrens van 65 jaar voor de definitieve ambtsneerlegging of van een soort uitholling van de vigerende pensioengerechtigde leeftijd. Het betreft een uitzonderingsregime voor zowel aanstellende overheid als personeel’.

De voormelde ratio legis sluit dus niet a priori uit dat de verwerende partij rechtmatig het motief kan hanteren ‘dat het één jaar langer in dienst houden van de heer X als gemeentesecretaris i.p.v. het installeren van een beginnende gemeentesecretaris grosso modo een meer uitgave voor de gemeente betekent van tenminste 32.608,75 euro’.

Evenmin als de ratio legis van het decreet van 17 januari 2014, toont ook de omstandigheid dat de aanwerving van een nieuwe gemeentesecretaris hoge wervingskosten meebrengt, op het eerste gezicht niet aan dat de verwerende partij ten onrechte verzoekers argument ter zijde heeft geschoven dat een inwilliging van zijn vraag budgettair interessant zou zijn.

Door de inwilliging van zijn vraag zouden de wervingskosten niet uitgespaard worden. Zoals de verwerende partij terecht in de nota opmerkt, zouden de kosten dan hoogstens iets later moeten worden gedragen.

Het motief waarop verzoeker in de tweede plaats kritiek uitoefent, bedoelt, naar het zich in de huidige stand van de procedure laat aanzien, een antwoord te zijn op verzoekers argument dat hij, met zijn expertise en met het vertrouwen dat hij bij het personeel geniet, nuttig de nieuwe gemeentepersoneelsleden voort kan begeleiden.

In dit antwoord laat de gemeente verstaan dat zij zwaar heeft geïnvesteerd in het hogere personeelskader en dat zij die groep nu graag tot een goed geoliede machine gemaakt zag worden die de gemeentelijke administratie in de volgende decennia op een hoger peil tilt. De ‘dirigent’ hiervan is in de ogen van de verwerende partij een nieuwe gemeentesecretaris.

Dat de gemeente, om het nieuwe hogere personeelskader vorm te geven en met die ploeg in de volgende jaren de beoogde verandering en modernisering in de interne organisatie te realiseren, de voorkeur geeft aan een nieuwe, jongere ‘dirigent’ die nog veel jaren dienst voor de boeg heeft, lijkt vooralsnog niet de grenzen van de redelijkheid te buiten te gaan en is geen voorkeur die afhankelijk voorkomt van enige voorafgaande (ongunstige) evaluatie van verzoeker.

Het besproken motief lijkt des te minder onwettig waar verzoeker zijn nuttige medewerking in de periode van 1 juni 2015 tot 31 mei 2016 in het bijzonder heeft gestaafd met een verwijzing naar ‘de opstart van BBC’, bij de implementatie waarvan hij meent ‘enige houvast te kunnen bieden’.

Het antwoord daarop, in de bestreden beslissing, dat de problemen in verband met de BBC-implementatie al vóór 1 juni 2015 moeten zijn opgelost en dat de financieel beheerder/ontvanger van de gemeente en van het OCMW voldoende de continuïteit kan waarborgen, wordt door verzoeker volstrekt onbesproken gelaten en niet betwist.

Het mag dan wel zo zijn dat volgens verzoeker een verlenging van zijn ambt ‘in het belang van iedereen’ is, de gemeente schat haar belang kennelijk anders in.

Op het eerste gezicht doet verzoeker in het middel niet aannemen dat dit oordeel de in het middel aangevoerde rechtsregels schendt en dat de verwerende partij zijn vraag om zijn ambt te verlengen en de daartoe aangevoerde redenen, heeft verworpen op ondeugdelijke grond.’

Ref. pub4880-1, RvS nr. 229.434 van 2 december 2014.

Deel dit artikel