Kortrijk
Bewolkt
13° - 19°
Antwerpen
Regen
13° - 19°
Blog
Blog
22 juni 2011  | Publius

Geen ontslag van ambtswege voor wie 5 jaar lang passief op werk wacht

Het ontslag van ambtswege is een rechtsfiguur die in vele rechtspositieregelingen (zeg maar: statuten) is opgenomen. In regel houdt deze in dat wie gedurende een bepaalde periode (10 dagen) ongewettigd afwezig is, geacht kan worden ontslag te hebben genomen. Het betreft geen tuchtmaatregel.In arrest nr. 213.776 van 9 juni 2011 oordeelde de Raad van State dat voor de toepassing van het ontslag van ambtswege moet kunnen worden aangenomen dat het bestuur bij de toepassing van de maatregel redelijkerwijze mocht aannemen dat het vermoeden van vrijwillig vertrek van de betrokken ambtenaar niet weerlegd was.Dat was volgens de Raad niet het geval in de voorliggende zaak, waarbij een ambtenaar van de stad Antwerpen in 2000 naar huis was gestuurd met de boodschap dat hij zou worden opgeroepen wanneer er opnieuw werk was. De ambtenaar bood zich niet aan en werd jarenlang door de stad betaald tot de zaak in 2005 aan het licht kwam.De stad startte een tuchtprocedure, maar besliste uiteindelijk om de ambtenaar retro-actief vanaf 1 september 2000 als ontslagnemend te beschouwen. Deze beslissing werd door de Raad van State vernietigd op grond van volgende motivering, waarin ook de betrokken ambtenaar een veeg uit de pan krijgt:"Verwerende partij heeft verzoeker met ingang van 1 september 2000 van ambtswege ontslagen met toepassing van artikel 65, 1, van het basisstatuut (artikel 77, 1, in een eerdere versie van dat statuut). Luidens die bepaling “kan aan de personeelsleden ontslag van ambtswege worden opgelegd, anders dan bij wijze van tuchtmaatregel, indien zij: 1 zonder geldige reden meer dan tien werkdagen afwezig blijven”.
Zoals de Raad van State verwerende partij reeds in zijn arrest nr. 69.753 van 25 november 1997 mocht doen opmerken, stoelt deze bepaling, die in tal van personeelsstatuten ingeschreven is, op de idee dat het betrokken personeelslid vrijwillig ontslag neemt, zodat het bestuur enkel tot bedoeld ontslag mag overgaan wanneer, gelet op de concrete omstandigheden van de zaak, het vermoeden dat de ambtenaar niet langer in dienst wenst te blijven niet geacht kan worden, weerlegd te zijn.Bijkomend werd gespecificeerd “dat -zoals de Raad van State reeds in meerdere arresten, onder meer in de arresten Peeters, nr. 59.096 van 17 april 1996, Briessinck, nr. 61.222 van 29 augustus 1996, en Huyghe, nr. 64.018 van 15 januari 1997, gesteld heeft- het daarbij van geen belang is of het door de betrokkene aangebrachte motief ter weerlegging van dat vermoeden de toets van de wettigheid kan doorstaan omdat dat motief als louter feitelijk gegeven in aanmerking moet genomen worden”.
De Raad van State heeft dat jegens verwerende partij herhaald in zijn arresten nrs. 143.078 van 14 april 2005 en 169.173 van 20 maart 2007.
Het volstaat voor de toepassing van het artikel 65, 1, van het basisstatuut derhalve niet dat verzoeker meer dan tien werkdagen zonder geldige reden afwezig zou zijn geweest. Tevens moet kunnen worden aangenomen dat het bestuur bij de toepassing van het artikel redelijkerwijze mocht aannemen dat het vermoeden van vrijwillig vertrek van de betrokken ambtenaar niet weerlegd was.
Te dezen meent verwerende partij dat zij dat effectief mocht aannemen gelet op het feit dat verzoeker na 1 september 2000 geen enkele poging heeft ondernomen om een nieuwe taak te verkrijgen, gelet op zijn verklaring van 9 december 2005 ten overstaan van de gerechtsdeurwaarder en gelet op zijn houding naar aanleiding van de andere initiatieven van verwerende partij in 2005.
Dit kan niet overtuigen.
Niet eerder dan in 2005 heeft verwerende partij zich vragen gesteld bij het feit dat verzoeker al sinds 1 september 2000 geen prestaties meer zou hebben verstrekt, noch voor het EAT, noch voor haarzelf. Het heeft haar ertoe gebracht, in de eerste plaats, om verzoeker op 9 december 2005 te laten bezoeken door een gerechtsdeurwaarder. Reeds uit de -hiervoor, sub 3, weergegeven- verklaring die verzoeker bij die gelegenheid aflegde, blijkt zonder enige ruimte voor twijfel dat hij niet vrijwillig uit dienst was getreden. Ook zijn houding en verklaringen in de periode nadien, en eveneens al hiervoor gerelateerd, wijzen ondubbelzinnig uit dat zijn jarenlange thuisblijven niets van doen heeft met de wil om uit dienst te treden.Of de uitleg die verzoeker geeft ter verklaring waarom hij geen stappen zette met het oog op een nieuwe opdracht, al dan niet zijn passiviteit kan verantwoorden en -aldus de tweede bestreden collegebeslissing- “valabel” is, is irrelevant ter beantwoording van de vraag of verwerende partij rechtmatig toepassing heeft gemaakt van artikel 65 van het basisstatuut. Als reeds gezegd in onder meer het voormelde arrest nr. 69.753, is het van geen belang of die uitleg de toets van de wettigheid kan doorstaan. Hij mag louter als een feitelijk gegeven in aanmerking worden genomen.
Welnu, als zodanig doet hij er afdoende van blijken dat verzoekers passiviteit niet op te vatten is als een teken van zijn wil tot vertrek uit de dienst. Dat een en ander ongeloofwaardig, zelfs grotesk is en zou getuigen van kwade trouw, doet daar niet aan af. Hoe laakbaar ook verzoekers houding, alleszins kon verwerende partij bij het nemen van de collegebesluiten van 23 december 2005 en 20 januari 2006 niet rechtmatig van mening zijn dat verzoeker op 1 september 2000 uit dienst wou treden en vrijwillig ontslag nam.
De door haar ingeroepen statutaire bepaling bood voor de bestreden ontslagbeslissingen dan ook geen rechtsgrond."

Deel dit artikel