Kortrijk
Bewolkt
13° - 19°
Antwerpen
Regen
13° - 19°
Blog
Blog
14 juni 2013  | Dirk Van Heuven

Geen dwangsom voor gemeente die wacht op een nieuw RUP alvorens opnieuw te beslissen over de vernietigde stedenbouwkundige vergunning

Zo oordeelt de Raad van State alvast in het nog niet gepubliceerde arrest nr. 223.687 van 4 juni 2013:

‘De verzoeker vraagt de Raad van State aan elk van beide verwerende partijen een dwangsom op te leggen van 500 euro ‘aangezien de arresten nr. 184.260 en nr. 184.261 van 17 juni 2008 waartoe de Raad van State besliste, nog steeds niet zijn uitgevoerd door beslissingen van deze voormelde overheden die gelijkstaan met rechtsherstel na annulatie van de in deze beide arresten vermelde verkavelings- bouw- en kapvergunningen.

Voor zover de verwerende partijen het inmiddels goedgekeurde RUP zonevreemde woningen Stekene als verweermiddel zouden inroepen’, doet de verzoeker gelden dat ‘de betreffende besluiten, in het bijzonder het gemeenteraadsbesluit van de gemeente Stekene van 24 januari 2012, het deputatiebesluit van 05 april 2012 en het ministerieel besluit van 2 juli 2012 [...] buiten toepassing [dienen] te worden verklaard, minstens voor wat betreft de zonevreemde woningen in het bosgebied aan de Polken te Stekene, [...] kadastraal [bekend] Stekene, tweede afdeling, sectie B, percelen 651/b en 651/c’. Hij steunt zich hiervoor op een aantal ‘wettigheidsbezwaren’ tegen dit GRUP die in het verzoekschrift worden aangehaald.

In haar nota repliceert de eerste verwerende partij ondermeer dat zij niet onwillig is. Zij stelt sinds de betrokken arresten niet te hebben stilgezeten en zich niet beperkt te hebben tot loze beloften, aangezien de stedenbouwkundige ambtenaar effectief bezig is met de studie en de voorbereiding van de aanvraagdossiers.

De tweede verwerende partij verwijst in haar nota ondermeer naar het inmiddels definitief vastgestelde en goedgekeurde GRUP ‘Zonevreemde woningen’, dat door de verzoeker niet met een annulatieberoep werd bestreden.

Artikel 36 §1, eerste lid van de gecoördineerde wetten op de Raad van State bepaalt dat, wanneer het herstel van de wettigheid inhoudt dat de vernietiging van een rechtshandeling als bedoeld in artikel 14 moet worden gevolgd door een nieuwe overheidsbeslissing of overheidshandeling, de persoon op wiens verzoek de nietigverklaring is uitgesproken, bij in gebreke blijven van de overheid de Raad van State kan verzoeken aan de betrokken overheid een dwangsom op te leggen. Het opleggen van een dergelijke dwangsom is bedoeld om de overheid onder druk te zetten om het vernietigingsarrest uit te voeren, nadat gebleken is dat zij weigert een nieuwe beslissing te nemen.

Ingevolge de arresten nrs. 184.260 en 184.261 van 17 juni 2008, die retroactieve werking hebben, dienen de bevoegde Vlaamse minister en het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Stekene zich opnieuw uit te spreken over het beroep en de respectieve vergunningsaanvragen, rekening houdende met de motieven die aan de vernietiging ten grondslag liggen, met andere woorden zonder schending van het gezag van gewijsde van de door de Raad van State gewezen vernietigingsarresten.
De verzoeker toont niet aan dat de verwerende partijen daartoe onwillig zouden zijn. Uit de gegevens van de zaak blijkt dat de verwerende partijen na de uitgesproken vernietigingen nieuwe initiatieven hebben genomen die uitdrukkelijk bedoeld zijn om uitvoering te geven aan de voormelde arresten. De verwerende partijen hebben geopteerd voor een planologische oplossing waarbij de betrokken percelen worden opgenomen in het GRUP ‘Zonevreemde woningen’ waarna zij de vergunningsaanvragen zullen beoordelen, hetgeen onder meer blijkt uit de memorie van toelichting bij dit GRUP.

Er is dan ook geen reden voor het opleggen van een dwangsom met toepassing van artikel 36, §1 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. De vraag of het GRUP ‘Zonevreemde woningen’ en de beslissingen die zullen navolgen over de vergunningsaanvragen rechtmatig zijn, moet worden beoordeeld binnen het raam van een annulatieberoep. Nu er geen sprake is van een ‘in gebreke blijven’ om uitvoering te geven aan de arresten nrs. 184.260 en 184.261 in de zin van artikel 36, §1, eerste lid van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, kan geen beroep worden gedaan op de dwangsomprocedure bedoeld in die bepaling.

De vordering wordt verworpen.’

Referentie: Pub503987

Deel dit artikel