Kortrijk
Regen
4° - 9°
Antwerpen
Regen
5° - 10°
Blog
Blog
15 februari 2013  | Dirk Van Heuven

Eigenaar kan zich niet beroepen op overmacht bij leegstandsheffingen omwille van het aanslepen van het bouwproject van een zusterbedrijf

Zo oordeelde alvast het hof van beroep te Brussel in een arrest van 13 februari 2013, waarbij een andersluidend vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel van 22 april 2009 werd hervormd.

De belastingsplichtige riep in dat het zusterbedrijf al het nodige had gedaan om een stedenbouwkundige vergunning te verkrijgen en zijn plannen zo snel mogelijk te realiseren, maar dat de procedure voor het verkrijgen van een vergunning voor het bouwen van een winkelcomplex niettemin 3 jaar aansleepte en de gemeente een afzonderlijke stedenbouwkundige vergunning voor de sloop weigerde. Daardoor zou er sprake zijn van overmacht.

Het hof repliceert:

‘De afzonderlijke sloopvergunning kon door geïntimeerde zélf aangevraagd worden en diende niet gekoppeld te worden aan het complexe bouwdossier van het winkelcomplex.
De beslissing om het pand leeg te laten staan en niet onmiddellijk een vergunning enkel voor de sloop aan te vragen in afwachting van de vergunning van het volledige bouwproject van de bvba K., was geen noodzaak en was niet onvermijdelijk. Uit de feitelijke omstandigheden van de zaak dient te worden besloten dat geïntimeerde, door de bvba K. te gelasten met de aanvraag van de sloopvergunning, bewust een bedrijfseconomische beslissing heeft genomen. Hierdoor plaatste zij zich in een belastbare toestand (leegstand in afwachting van de uiteindelijke sloop) en diende zij de gevolgen ervan (heffing) bij niet tijdige beëindiging van de leegstand te aanvaarden.’

Het hof meent dat de belastingsplichtige faalt in haar bewijslast dat de gemeente weigerde een afzonderlijke sloopvergunning zonder vervangingsbouw af te leveren:

‘De tijd die nodig was om de nodige vergunningen te bekomen – van 4 december 2002 tot 28 oktober 2004 – is te verklaren door de omvang van de bouwplannen van het winkelcomplex die moesten worden bijgestuurd en aangepast aan de eisen van het lokaal bestuur. Er blijkt nergens uit dat de stad K. bij de behandeling van de vergunningsaanvragen op enig moment bezwaar heeft geuit omtrent de sloop van het magazijn van geïntimeerde. In het ruimere geheel van het bouwdossier rond het nieuwe winkelcomplex was het slopen van het magazijn slechts een bijkomstigheid. Het was dus omdat geïntimeerde beslist had haar aanvraag met betrekking tot de sloop te koppelen aan de vergunningsaanvraag met betrekking tot de bouw van het winkelcomplex, dat het verkrijgen van een sloopvergunning even lang duurde'.

Geïntimeerde had aangevoerd dat er nochtans een brief voorlag van de gemeente waarin letterlijk staat dat een afzonderlijke sloopvergunning niet kon.

Het hof repliceert:

‘Het schrijven van de stad K. van 22 oktober 2004 moet in de juiste context worden geplaatst. Het is pas nadat de aanvraag voor een sloop- en bouwvergunning in 1 gecombineerde aanvraag van 4 december 2002 waren geïncorporeerd en deze gecombineerde bouwvergunning op 26 oktober 2007 werd geweigerd, dat de stad K. op 22 oktober weigerde om de 2 aanvragen opnieuw los te koppelen om alsnog een afzonderlijke sloopvergunning af te leveren los van de bouwvergunning, t.t.z. zonder vervangende maatregelen. De sloopaanvraag maakte inmiddels deel uit van de gecombineerde stedenbouwkundige aanvraag van 4 december 2002.

Het schrijven van 22 oktober 2004 aan geïntimeerde zegt niets over het standpunt van de stad K. In de hypothese dat geïntimeerde een enkelvoudige sloopvergunning die niet samen ging met de bouwaanvraag van het winkelcomplex , zou hebben ingediend. Het is helemaal niet zeker dat er dan ook een weigering van de sloopvergunning zou zijn geweest.’

Referentie: Brussel, 13 februari 2013, 2009/AR/2568 (Pub504473)

Deel dit artikel