Kortrijk
Bewolkt
11° - 22°
Antwerpen
Bewolkt
12° - 23°
Blog
Blog
29 november 2011  | Dirk Van Heuven

De toepassing van artikel 159 Grondwet voor de milieustakingsrechter na een vernietigingsarrest van de Raad van State

Eerder (zie ons bericht van 5 juli 2011) hebben we een arrest van het hof van beroep te Antwerpen besproken van 28 juni 2011 waarin werd aangegeven dat het toepassen van de wettigheidsexceptie zonder of vóór een vernietigingsarrest van de Raad van State of de Raad voor Vergunningsbetwistingen geen vanzelfsprekendheid is.

De milieustakingsrechter te Kortrijk moest zich in een vonnis van 5 oktober 2011 uitspreken over de vraag wat de impact was van een reeds door de Raad van State vernietigd BPA op de later afgeleverde stedenbouwkundige - en milieuvergunningen:

“De rechtbank is van oordeel dat de verplichting om onwettige bestuurshandelingen buiten toepassing te laten aan geen enkele termijn onderworpen is en het Hof van Cassatie heeft herhaaldelijk geoordeeld dat art. 159 G.W. een algemene draagwijdte heeft (zie bv. Cass, 21 april 1988, Arr. Cass., 1987-1988, 1045).

Specifiek voor wat betreft de wettigheidscontrole op grond van art. 159 G.W. in het kader van een milieustakingsvordering ingesteld door een inwoner bij stilzitten van de gemeente is het arrest van het Hof van Cassatie van 10 maart 2008 (Cass. 10 maart 2008, C.06.0173.N, www.juridat.be) relevant. Het hof van beroep had de stakingsvordering, die door inwoners was ingesteld, niet-ontvankelijk verklaard bij gebrek aan belang omdat het van oordeel was dat de gemeente geen belang had om een stakingsvordering in te stellen voor werken die ze zelf had vergund.

Het Hof van Cassatie vernietigde het arrest en stelde dat “het belang van de gemeente om een vordering in te stellen tegen handelingen die het gevolg zijn van een eerder door de gemeente ten onrechte gegeven vergunning wordt in beginsel niet aangetast door het feit dat de gemeente zelf aan de basis ligt van de schending van het leefmilieu.
De mogelijkheid om een milieustakingsvordering in te stellen tegen handelingen die een kennelijke inbreuk of een ernstige dreiging van inbreuk uitmaken wordt niet beheerst door de grenzen die op de gemeente berusten haar eigen beslissingen aan te vechten of in te trekken en moet beschouwd worden als een autonome vordering bestemd om ernstige schendingen van het leefmilieu te weren.” Het Hof besloot dat het hof van beroep onder meer art. 159 G.W. had geschonden.

Het Grondwettelijk Hof heeft ook geoordeeld dat de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg in het kader van een procedure tot staking ertoe kan worden gebracht op grond van art. 159 G.W. de geldigheid van een vergunning te onderzoeken, zelfs wanneer die vergunning door de gemeente zelf is verleend, dan wel in overeenstemming met een door haar verleend advies (Gw.H., 19 september 2007, nr. 121/2007, (www.const-cour.be).

Valt er evenwel in principe iets te zeggen voor het argument dat door de onbeperkte toepassing in de tijd van art. 159 G.W. het rechtszekerheidsbeginsel en het redelijketermijnbeginsel in het gedrang kunnen worden gebracht, hoewel in de rechtsleer ook wordt geargumenteerd dat het niet aanvaardbaar is dat op grond van het rechtszekerheidsbeginsel afbreuk zou worden gedaan aan art. 159 G.W. omdat niet van de rechtsonderhorige kan worden verlangd dat hij telkens een meestal lange procedure voert voor de Raad van State (zie De Staercke, J. en Ghysels, J., Artikel 159 Grondwet als directe vordering in Cooreman, I. (ed.), De wettigheidstoets van artikel 159 van de Grondwet, die Keure, 2010, blz. 118-119), dan zijn de Gemeente en de B. slecht gekomen om zich in huidige zaak op deze beginselen te beroepen.”

De milieustakingsrechter stelt vast dat wanneer een BPA door de Raad van State vernietigd wordt, het duidelijk is dat de daaraan onderliggende stedenbouwkundige- en milieuvergunningen hun juridische grondslag verliezen en op grond van artikel 159 G.W. buiten beschouwing moeten worden gelaten.

De milieustakingsrechter aarzelt niet om vervolgens de volledige exploitatie van het bedrijf stil te leggen, alsook een partiële afbraak te bevelen.

Het geeft aan het bedrijf, verwerende partij, wel een respijttermijn tot 1 januari 2015 voor de exploitatie en 31 januari 2015 voor de afbraak, hetgeen in de praktijk betekent dat (niettegenstaande de uitvoerbaarheid bij voorraad) nuttig beroep kan aangetekend worden. Een milieustakingsbeschikking is immers uitvoerbaar bij voorraad.

De combinatie milieustakingsvordering/ indeplaatstelling bij toepassing van artikel 194 Gemeentedecreet/toepassing van artikel 159 Grondwet maakt brokken. Het is de vraag is of deze voor lokale besturen gevaarlijke mix op termijn kan stand houden...

Referentie : Rb.Kortrijk, 5 oktober 2011, AR 09/2632/A, n.g. (pub502364-1)

Deel dit artikel