14/06/2019

Over de omvang van de bevoegdheid van de Raad van State als cassatierechter van de Raad voor Vergunningsbetwistingen

In een interessant arrest nr. 244.783 van 13 juni 2019 licht de Raad van State toe wat zij wél en niet kan als cassatierechter van de Raad voor Vergunningsbetwistingen:

'Als cassatierechter mag de Raad van State niet in tweede instantie de feitelijke beoordeling van de RvVb overdoen maar mag hij enkel nagaan of het hem voorgelegde arrest overeenkomstig de wet is genomen. Luidens artikel 14, § 2, van de RvS-wet treedt de afdeling bestuursrechtspraak in geval van cassatieberoep “niet in de beoordeling van de zaken zelf”.

Het middel dat de schending aanvoert van artikel 4.8.11, § 1, eerste alinea, 3°, VCRO [= toegang tot de RvVb]  omdat het om de aangehaalde redenen niet vaststond dat L. rechtstreekse of onrechtstreekse hinder of nadelen kon ondervinden van de bestreden vergunning, noopt de Raad van State tot de beoordeling van de zaak zelf. Als cassatierechter is de Raad van State hiervoor niet bevoegd.

Het middel is niet ontvankelijk.

(...)

De aan de RvVb grondwettelijk en decretaal opgelegde verplichting om zijn rechterlijke uitspraak te motiveren, heeft het karakter van een vormvereiste met beperkte draagwijdte. Een uitspraak is gemotiveerd wanneer de rechter duidelijk en ondubbelzinnig de redengeving uiteenzet -al ware die redengeving verkeerd of onwettig- die hem ertoe brengt de beslissing te nemen. Alleen een gemis aan motivering -of daarmee gelijkgestelde gevallen, zoals tegenstrijdigheid in de motieven- maakt een schending uit van de aan de rechter opgelegde motiveringsverplichting.

Het middel dat een niet afdoende motivering aanvoert, gaat uit van een andere rechtsopvatting en faalt bijgevolg naar recht.

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Lokale Besturen, Vlaams Omgevingsrecht
Tags Dirk Van Heuven, Raad van State, Raad voor Vergunningsbetwistingen
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
20/11/2019

(Nogmaals) De watertoets mag bij het verkavelen niet worden doorgeschoven naar de beoordeling inzake de bouwvergunning

In een blogbericht uit 2011 wezen we al eerder op de verplichting van de vergunningverlenende overheid om zich bij een verkavelingsvergunning op een afdoende gemotiveerde wijze over de watertoets uit te spreken. De zaken zonder meer doorschuiven naar een later tijdstip, bij de beoordeling inzake het daadwerkelijke vergunnen van het effectief bouwen, volstaat niet.

Deze insteek is - na al die jaren - niet gewijzigd en blijft zelfs zeer belangrijk.

Zo werd de Raad van State, in zijn hoedanigheid als cassatierechter, recent geconfronteerd met een arrest van de Raad voor Vergunningsbetwistingen dat abstractie lijk te te willen maken van voorgaand principe.

In een cassatiearrest van 16 november 2019 zet de Raad van State (nogmaals) de spreekwoordelijke puntjes op de 'i':

'7. De RvVb verwerpt het middel van de verzoekende partij waarin zij heeft aangevoerd “dat de watertoets gebrekkig is uitgevoerd” en “dat uit de waterparagraaf niet af te leiden valt welke elementen van de verkavelingsaanvraag concreet werden getoetst als ook het onderzoek naar de schade aan het watersysteem van de te verkavelen grond ontbreekt en de gebeurlijke compensatiemaatregelen” op volgende gronden:
- uit de aangehaalde waterparagraaf blijkt dat er een behoorlijke watertoets voorhanden is in de bestreden vergunningsbeslissing;
- de deputatie en de waterbeheerder stellen “dat de bepalingen van de stedenbouwkundige verordeningen inzake hemelwaterputten, infiltratievoorzieningen, buffervoorzieningen en gescheiden lozing van afvalwater en hemelwater dienen nageleefd te worden opdat schadelijke effecten vermeden zouden kunnen worden”;
- de deputatie oordeelt “dat maatregelen voor het opvangen van regenwater zullen genomen moeten worden op het niveau van de stedenbouwkundige vergunning”.

8. Het bestreden arrest dat toestaat dat het onderzoeken van het causaal verband tussen de gevraagde vergunning en de schadelijke effecten wordt uitgesteld “op het niveau van de stedenbouwkundige vergunning” en in die omstandigheden aanneemt dat de waterparagraaf volstaat met de voorwaarde van naleving van voormelde stedenbouwkundige verordeningen “opdat schadelijke effecten vermeden zouden kunnen worden”, schendt het voormelde artikel 8 DIWB.

9. Het eerste middel is gegrond.'
(eigen aanduiding)

Het zonder meer vooruitschuiven van de beoordeling inzake de watertoets bij de beoordeling van de omgevingsvergunnning voor het verkavelen van gronden naar het momentum van de beoordeling van de watertoets bij de omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen kon aldus voorheen niet en blijft ook nu niet kunnen.

Er zijn daarbij geen redenen om aan te nemen waarom dit wel plotsklaps wel zou moeten kunnen in het kader van de watertoets uit het Waterwetboek.

19/11/2019

Het stedenbouwmisdrijf van gewoonlijk gebruik kan niet bewezen worden door één enkele vaststelling

Zo oordeelde de correctionele rechtbank van Hasselt in een vonnis van 5 augustus 2019:

'Beklaagde kan gevolgd worden in zijn verweer voor wat betreft de opslag voor landbouwvoertuigen. (...) Uit de eenmalige vaststelling op 03.08.2015 kan niet met zekerheid worden besloten dat de constructies van beklaagde met regelmaat gebruikt werden voor de opslag van landbouwvoertuigen'.  

Referentie: Rb. Limburg, afd. Hasselt, sectie correctioneel 5 augustus 2019, nr. 2019/1160, ng. (PUB 507701)

Gepost door Dirk Van Heuven

Tags Dirk Van Heuven, Handhaving stedenbouw, Ruimtelijke ordening & Stedenbouw, Strafrecht & strafvordering
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
18/11/2019

Jan Beleyn en Merlijn De Rechter schrijven artikel in STORM: Retail laat zich niet zomaar aan banden leggen (STORM 2019/3, 33)

Jan en Merlijn publiceerden onlangs een noot in STORM bij het arrest van de Raad voor Vergunningsbetwistingen van 2 juli 2019 (met nummer RvVb-A-1819-1167). In dat arrest heeft de Raad voor de eerste maal – naar aanleiding van Europese rechtspraak van o.m. het Hof van Justitie – een RUP getoetst aan de Europese Dienstenrichtlijn. De RvVb diende, via de omweg van artikel 159 van de Grondwet, na te gaan of het toepasselijke RUP van de gemeente Meise dat detailhandel in een welbepaald gebied verbood op grond van het motief dat men zo een ongewenste baanontwikkeling wou tegengaan, de toets aan artikel 15, derde lid van de Dienstenrichtlijn kon doorstaan. Zij oordeelde dienaangaande dat in het RUP geen antwoord kon gevonden worden op de vraag ‘in hoeverre het uitdrukkelijke verbod op detailhandel, bestaande uit kleinhandel, waaronder de verkoop van (kinder)schoenen, en in tegenstelling tot autonome kantoren en diensten, geschikt is om de baanontwikkeling langs de Nieuwestraat tegen te gaan’. Jan en Merlijn gaan de gevolgen hiervan na op de praktijk.

Blog Publius Nieuws
Tags Jan Beleyn, Merlijn De Rechter
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
Tags