Kortrijk
Bewolkt
13° - 19°
Antwerpen
Regen
13° - 19°
Blog
Blog
01 april 2013  | Dirk Van Heuven

Wettelijke aanplakking doet beroepstermijn Raad van State niet lopen

Zo besliste de Raad van State in een arrest nr. 222.080 van 15 januari 2013:

'Artikel 12 van de handelsvestigingenwet bepaalt wat volgt:
“Een bericht dat de vergunning werd afgeleverd, moet worden aangeplakt, door de aanvrager, op de plaats waar de handelsvestiging die het voorwerp uitmaakt van de vergunning zich zal bevinden, binnen acht dagen volgend op de kennisgeving van de beslissing, voor de aanvang van de bouwwerf en tijdens de ganse duur ervan tot op het ogenblik van de opening van de handelsvestiging.
Gedurende deze periode, moet de vergunning evenals de bijgevoegde dossiers of een door de gemeentelijke overheid eensluidend verklaarde kopie van deze documenten permanent ter beschikking worden gehouden van de agenten aangeduid in artikel 14 op de plaatsen waar de handelsvestiging die het voorwerp uitmaakt van de vergunning zich
bevindt.


De Koning bepaalt de uitvoeringsmodaliteiten van onderhavig artikel.”
Overeenkomstig het koninklijk besluit van 1 maart 2005 tot vaststelling van de nadere regels voor de bekendmaking van de vergunning van de handelsvestiging door aanplakking bedoeld bij artikel 12 van de wet van 13 augustus 2004 betreffende de vergunning van handelsvestigingen, moet de
aanplakking te dezen gebeuren op een plaats waar het ontwerp van handelsvestiging paalt aan een openbare weg en volgens het model dat als bijlage I bij dit besluit wordt gevoegd.


De bestreden vergunning diende noch bekendgemaakt, noch aan derden betekend te worden, zodat krachtens artikel 4 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: het algemeen
procedurereglement), de beroepstermijn van zestig dagen ingaat met de dag waarop de verzoekende partij er kennis van heeft gehad of geacht moet worden er kennis van te hebben gehad.


Het mag evenwel niet in de macht van een potentiële verzoekende partij liggen, wanneer zij in de mogelijkheid is kennis te nemen van de bestuurshandeling die zij eventueel met een annulatieberoep wenst te bestrijden, die kennisneming voor onbepaalde tijd uit te stellen en aldus de aanvangsdatum van de termijn van beroep willekeurig te verschuiven, zodat de rechtsgeldigheid en het voortbestaan van de bedoelde bestuurshandeling buiten weten, zowel van de overheid van wie zij uitgaat, als van alle andere belanghebbenden, in het ongewisse worden gehouden, met alle nadelige gevolgen vandien.

Het beginsel volgens hetwelk voorkomen moet worden dat de gelding van administratieve beslissingen te lang onzeker blijft en dat aan het voormelde artikel 4 van het algemeen procedurereglement ten grondslag ligt, eensdeels, en de noodzaak van een evenwichtige bescherming van de belangen én van de aanvrager én van de omwonenden en van andere belanghebbende personen, anderdeels, brengen met zich mee dat degene die meent te worden
benadeeld door een vergunning van een handelsvestiging en die het bestaan van die vergunning moet vermoeden, de verplichting heeft om binnen een redelijke termijn gebruik te maken van de hem ter beschikking staande middelen om kennis te nemen van de inhoud van de afgegeven vergunning.


Het is zaak van de partij die aanvoert dat het beroep laattijdig is, het bewijs te leveren van het tijdstip waarop de verzoekende partij kennis had of kon hebben van de mogelijke afgifte van de bestreden vergunning.

De aanplakking van de bestreden vergunning op de plaats waar de handelsvestiging die het voorwerp uitmaakt van de vergunning zich zalbevinden, is geen bekendmaking in de zin van het voormelde artikel 4 van het algemeen procedurereglement en doet op zich de beroepstermijn niet ingaan.

De verwerende en de tussenkomende partij beweren maar tonen niet aan dat de verzoekende partijen meer dan 60 dagen voor het instellen van het annulatieberoep kennis hadden of hadden kunnen hebben van het bestreden besluit'.

Deel dit artikel