Kortrijk
Bewolkt
13° - 19°
Antwerpen
Regen
13° - 19°
Blog
Blog
16 december 2011  | Publius

Milieuhandhavingsordonnantie: voortaan administratieve geldboete mogelijk onder wettelijk minimum bij aanwezigheid van verzachtende omstandigheden

Op 24 november 2011 heeft het Brussels Hoofdstedelijk Parlement een ordonnantie aangenomen tot wijziging van de ordonnantie van 25 maart 1999 betreffende de opsporing, de vaststelling, de vervolging en de bestraffing van misdrijven inzake leefmilieu (Milieuhandhavingsordonnantie). Met deze wijziging is een artikel 40bis toegevoegd aan de Milieuhandhavingsordonnantie, dat als volgt luidt:

De ambtenaren bedoeld in artikel 35, tweede lid, die een administratieve geldboete opleggen, kunnen bij aanwezigheid van verzachtende omstandigheden deze geldboete verminderen tot onder het wettelijke minimum.
Bij de behandeling van het beroep bedoeld in artikel 39bis beschikt het Milieucollege eveneens over de bevoegdheid bedoeld in het eerste lid.


De Brusselse ordonnantiegever heeft hiermee gevolg gegeven aan het arrest nr. 44/2011 van het Grondwettelijk Hof van 30 maart 2011. In dit arrest besloot het Grondwettelijk Hof dat de Milieuhandhavingsordonnantie de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schond, in zoverre de ordonnantie niet toeliet rekening te houden met verzachtende omstandigheden die het mogelijk maken een administratieve geldboete op te leggen die lager is dan het vastgelegde minimumbedrag van de geldboete (in casu 625 euro), terwijl de dader van eenzelfde feit die strafrechtelijk werd vervolgd met toepassing van artikel 85 van het Strafwetboek een lagere strafrechtelijke straf dan de wettelijk bepaalde opgelegd kon krijgen indien er verzachtende omstandigheden aanwezig waren.

Het Grondwettelijk Hof overwoog dat wanneer alternatieve bestraffingssystemen kunnen worden toegepast op een eenzelfde feit, “er een parallellisme [dient] te bestaan tussen de maatregelen tot individualisering van de straf”, en dat dit ook geldt “voor de mogelijkheid om een geldboete op te leggen die minder bedraagt dan het wettelijke minimum indien verzachtende omstandigheden aanwezig zijn” ( overweging B.29).

Hoewel de Brusselse ordonnantiegever “op rechtmatige wijze van mening [kon] zijn dat, teneinde de werkoverlast van de parketten en de strafrechtbanken te verlichten, alsook de doeltreffendheid te verzekeren van de vervolgingen met betrekking tot de vastgestelde milieumisdrijven, een regeling van administratieve sancties diende te worden ingesteld” (overweging B.32.1), is het “evenwel niet redelijkerwijs verantwoord om de persoon aan wie een dergelijke sanctie wordt opgelegd, de maatregel te ontzeggen die het bestuur in staat zou stellen rekening te houden met de verzachtende omstandigheden, waardoor het bedrag van de geldboete kan worden verminderd tot onder het bij de ordonnantie vastgestelde minimumbedrag, terwijl die persoon de toepassing van artikel 85 van het Strafwetboek zou kunnen genieten indien hij voor hetzelfde misdrijf voor de correctionele rechtbank zou verschijnen” (overweging B.32.2).

Waarna het Grondwettelijk Hof het tweede onderdeel van de vierde prejudiciële vraag bevestigend beantwoordde (overweging B.33).

De overige onderdelen van de vierde prejudiciële vraag en de overige prejudiciële vragen werden overigens negatief beantwoord door het Grondwettelijk Hof. Volgens het Hof doorstaan volgende verschilpunten tussen enerzijds de administratieve bestraffing onder de Milieuhandhavingsordonnantie en anderzijds de penale bestraffing onder de ordonnantie van 17 juli 1997 betreffende de strijd tegen geluidshinder in een stedelijke omgeving, voor eenzelfde feit (in casu geluidshinder), de grondwettigheidstoets:

- het feit dat de administratieve geldboeten voor het betreffende feit van 625 tot 62.500 euro kunnen gaan, terwijl de penale geldboeten op hetzelfde feit slechts 0,25 tot 75 euro kunnen bedragen (overweging B.5-B.13.2);

- het feit dat diegenen ten aanzien van wie de procureur des Konings het opportuun acht hen voor de strafgerechten te vervolgen, in elke aanleg de waarborg genieten dat de rechter de in artikel 159 van de Grondwet bedoelde wettigheidstoetsing uitvoert, terwijl diegenen die het voorwerp uitmaken van een procedure van administratieve geldboete de in artikel 159 van de Grondwet bepaalde waarborg slechts kunnen genieten voor de Raad van State en niet voor het Brussels Instituut voor Milieubeheer (BIM) of het Milieucollege (overweging B.14-B.17);

- het feit dat de daders die het voorwerp uitmaken van een strafrechtelijke procedure in elke aanleg de waarborg of de mogelijkheid genieten dat de rechter aan het Grondwettelijk Hof een vraag stelt over de bestaanbaarheid van een wetskrachtige norm met de Grondwet en de bevoegdheidverdelende regels, terwijl die waarborg aan de daders die het voorwerp uitmaken van een administratieve procedure zou worden ontzegd in zoverre de beslissing die ten aanzien van hen wordt genomen, uitgaat van een administratieve overheid (overweging B.18-B.20);

- het feit dat in de administratieve procedure de vervolging wordt ingesteld door een administratieve overheid, te dezen het Brussels Instituut voor Milieubeheer (BIM), dat eveneens de misdrijven heeft vastgesteld en onderzocht, en niet door de procureur des Konings (overweging B.22-B.27);

- het feit dat de administratieve procedure niet uitdrukkelijk dezelfde procedurele waarborgen omschrijft als onder de penale procedure, zoals de rechten van verdediging en het vermoeden van onschuld (overweging B.34-B.36);

- het feit dat de procedure van administratieve geldboete niet (uitdrukkelijk) de mogelijkheid voorziet om het voordeel van de onweerstaanbare dwang en de onoverkomelijke dwaling aan te voeren (overweging B.37-B.40).

De wijzigingsordonnantie van de Milieuhandhavingsordonnantie van 24 november 2011 is gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad op 7 december 2011, datum waarop het nieuwe artikel 40bis van de Milieuhandhavingsordonnantie ook in werking is getreden (zie artikel 3 van de wijzigingsordonnantie).

Deel dit artikel