Kortrijk
Bewolkt
13° - 19°
Antwerpen
Regen
13° - 19°
Blog
Blog
03 juli 2014  | Dirk Van Heuven

Geen uitgesproken voorkeursproject mogelijk in het gemeentelijk handelsvestigingenbeleid

Het college van burgemeester en schepenen van een Vlaamse stad heeft een richtlijn gemaakt met betrekking tot het inplanten van handelsvestigingen. In een eerste streepje wordt aangegeven dat compacte- en funshoppinggoederen thuishoren in het stadscentrum. In een derde streepje heet het dat perifere handelsvestigingen bij voorkeur worden ontwikkeld in grote oppervlakten. Handel in enkel volumineuze producten kunnen in de periferie gefaseerd ontwikkeld worden rekeninghoudend met de leefbaarheid van de buurt en het stadscentrum.

In een tweede streepje werd één welbepaald retailproject ‘prioritair' gesteld voor ontwikkeling. Andere grootschalige retailontwikkelingen in het centrum kunnen enkel gefaseerd worden opgestart na de ontwikkeling van deze site.

In het arrest nr. 227.827 van 24 juni 2014 wordt deze passage uit de richtlijn vernietigd.

De Raad van State overweegt:

‘De bevoegdheid tot onderzoek en beoordeling van een vergunning die de handelsvestigingenwet aan het college van burgemeester en schepenen opdraagt, is geval per geval en in concreto uit te oefenen.

Wat het college van burgemeester en schepenen op grond van de wet te doen staat, is zich uitspreken over de welbepaalde aanvraag die hem is voorgelegd tot het verkrijgen van een vergunning voor de specifiek ontworpen handelsvestiging die in zijn gemeente beoogd wordt. De discretionaire beoordelingsbevoegdheid waarover het college van burgemeester en schepenen terzake beschikt, inbegrepen wat het criterium van de bescherming van het stedelijk milieu betreft dat de verwerende partij in haar laatste memorie ter sprake brengt, wordt alleen regelmatig uitgeoefend in zoverre het college daarbij rekening houdt met de – met álle – concrete omstandigheden van de zaak in kwestie.

Het artikel 1, tweede streepje, van de richtlijn van 3 september 2012 is daarmee onverenigbaar doordat het in wezen al van te voren de inhoud vaststelt van de beslissingen van het college over toekomstige, nieuwe vergunningsaanvragen met betrekking tot grootschalige retailontwikkelingen in het stadscentrum. Vóór het onderzoek en de beoordeling van de eigen en particuliere omstandigheden en merites van de in die aanvragen geconcretiseerde initiatieven, blijkt immers door het schepencollege beslist dat ze hoe dan ook ‘enkel gefaseerd [kunnen] worden opgestart na de ontwikkeling van de site X.’

Ref. Pub503924

Deel dit artikel