Kortrijk
Regen
2° - 12°
Antwerpen
Bewolkt
4° - 12°
Blog
Blog
27 november 2013  | Dirk Van Heuven

Bestaat het bestemmingsmisdrijf als onverjaarbaar stedenbouwkundig voortzettingsmisdrijf? (tris)

Wij verwijzen naar onze eerdere blogberichten (klik hier en hier).

In een arrest van de 9e kamer van het hof van beroep van 11 oktober 2013 kan het volgende gelezen worden:

‘Na het tussenarrest van 24 februari 2012 hebben partijen in syntheseconclusies (ondermeer) standpunt ingenomen betreffende de door het hof opgeworpen vraag of de herstelvordering kan worden geënt op een inbreuk op art. 6.1.1., lid 1, 6° VCRO (voorheen art. 146, lid 1, 6° DORO), m.n. het aanhoudend gebruik maken van de woning in strijd met het (voornoemd) gewestplan en op de gebeurlijke repercussies hiervan op de herstelvordering van appellant, waaronder uiteraard de verjaring ervan, en dit ondermeer in het licht van twee hieromtrent mogelijks relevante cassatiearresten van 10 januari 2012 (P.11.0843.N) en 17 januari 2012 (P.11.0917.N) die door het hof werden aangehaald.

Nog los van de door geïntimeerde opgeworpen vraag of appellant zijn vordering thans mag steunen op het feit van ‘het gebruik van het betrokken gebouw/de woning in strijd met het gewestplan Roeselare-Tielt’, terwijl volgens geïntimeerde in de dagvaarding van dergelijk strijdig gebruik geen sprake is maar enkel van de instandhouding van een eerder opgericht bouwwerk en (steeds volgens geïntimeerde ‘met veel goede wil’) van de oprichting ervan, oordeelt het hof als volgt.

In de mate dat het zo zou zijn dat uit de aangehaalde cassatierechtspraak zou mogen worden afgeleid dat het na 1 mei 2000 aanhoudend (loutere) gebruik van een (bestaande) gewestplan een inbreuk zou kunnen vormen op art. 6.1.1., eerste lid 6° VCRO (en voordien op art. 146, eerste lid, 6° DORO) en dat er daarbij zowel sprake zou kunnen zijn van ‘plegen, voortzetten, als in stand houden’, is, opdat er effectief sprake zou kunnen zijn van een inbreuk (en dus nog vooraleer de verjaring van dergelijke vordering moet worden onderzocht), voorafgaandelijk vereist dat dergelijk gebruik ruimtelijke implicaties heeft, zoals geïntimeerde terecht inroept.

Dienaangaande merkt het hof in eerste instantie op dat in de VCRO in art. 6.1.1., eerste lid, 6° (en voordien ook het DORO in art. 46, eerste lid, 6°) inzake de plannen van aanleg een aan de vroegere Stedenbouwwet gelijkaardige terminologie wordt gehanteerd, met name ‘het op welke wijze ook inbreuken plegen’, terwijl in art. 6.1.1., eerste lid, 2° inzake ruimtelijke uitvoeringsplannen wordt aangesloten bij de nieuwe terminologie m.n. ‘het uitvoeren van strijdige handelingen’ (zoals gedefinieerd in art. 1.1.2., 7° VCRO).

Dit terminologisch onderscheid instigeert echter geen inhoudelijke verschillen.

Volgens het Grondwettelijk Hof (dat zich diende uit te spreken over art. 146, eerste lid, 6° VCRO) blijkt immers uit de parlementaire voorbereiding van die bepaling dat de decreetgever één en hetzelfde doel voor ogen had. De in art. 146, eerste lid, 6° DORO beoogde ‘inbreuken op welke wijze ook’ betroffen volgens het Grondwettelijk Hof derhalve ‘werken, handelingen of wijzigingen’ die in strijd zijn met de in deze bepaling vermelde plannen van aanleg en verordeningen (zie GwH, 20 oktober 2005, nr. 156/2005). De in het DORO gebezigde omschrijving ‘werken, handelingen of wijzigingen’ wordt in het VCRO thans aangeduid onder de verzamelnaam ‘strijdige handelingen’, die gedefinieerd wordt in art. 1.1.2., 7° VCRO als ‘werkzaamheden, wijzigingen of activiteiten met ruimtelijke implicaties’. De verschillende terminologie legt enkel een brug tussen heden en verleden. Een ‘strijdige handeling’ wordt begrepen als ‘hoe dan ook inbreuk plegen op’ en vice versa. (zie ook Vansant, P., Handhaven van Ruimtelijk Gebruik, in Tijdschrift voor Milieurecht, 2010, p. 689).

Welnu: het hof is van oordeel dat (in tegenstelling tot de oprichting zelf en onverminderd de ruimtelijke implicaties die het louter gebruik van bepaalde bestaande constructies voor andere doeleinden dan bewoning en/of in andere feitelijke situaties kan hebben) het louter gebruiken, d.w.z. bewonen, van de kwestieuze voordien gebouwde woning op zich geen ruimtelijke implicaties heeft.Dit klemt des te meer nu de woning naadloos aansluit bij de woonkern van M., waarbij de naburige woningen evenzeer bewoond worden.

Daarbij is het niet zonder belang te benadrukken dat appellant zich niet steunt of niet langer kan steunen op misdrijven die de oprichting van het gebouw betreffen of de instandhouding van het bouwwerk.

Er werd in deze immers reeds geoordeeld dat er geen oprichtingsmisdrijf was met inbreuk op art. 6.1.1., lid 1,1° VCRO, gelet op het toenmalig bestaan van een bouwvergunning. Dit geldt evenzeer onder art. 6.1.1., lid 1, 6° VCRO (trouwens alleen al omdat de oprichting dateert van voor 1 mei 2000).

Zo werd ook reeds geoordeeld dat er geen sprake is van strafbare instandhouding van het gebouw.
De vordering is louter gesteund op het plegen, dan wel voortzetten van het gebruik, hetgeen zoals gezegd naar oordeel van het hof op zich geen ruimtelijke implicaties heeft.

Ten overvloede en onverminderd het sub 7.3 gestelde, is het hof van oordeel dat de inwilliging van een herstelvordering louter met betrekking tot een (aanhoudend) gebruik (zijnde dus een bewoning), ‘gepleegd of zelfs voortgezet’, en dus zelfs in de veronderstelling dat dit een ruimtelijke impact zou hebben (wat het hof dus niet aanneemt), niet tot meer zou kunnen leiden dan tot een herstel in de toestand voorafgaand aan het gebruik/de bewoning, of m.a.w. niet tot meer zou kunnen leiden dan een gebruiks-/woonverbod. M.a.w. is het hof van oordeel dat een herstelvordering, louter gesteund op het strijdige gebruik van een bestaande woning, omtrent de bouw waarvan geen oprichtingsmisdrijf/voortzettingsmisdrijf werd gepleegd en waaromtrent geen instandhoudingsmisdrijf te weerhouden valt, niet kan leiden tot een veroordeling tot afbraak, zoals gevorderd.

Welnu: de herstelvordering die niet kan leiden tot de afbraak van de betrokken woning maar enkel tot de leegstand ervan, doorstaat hoe dan ook de redelijkheidtoets niet (welke het hof, zonder enig opportuniteitsoordeel te vellen of te kunnen vellen, dient te maken in het licht van de toetsing ervan op de interne wettigheid bij toepassing van art. 159 GW).
Vooreerst is het zo dat zelfs indien per hypothese nog zou dienen te worden aangenomen dat de loutere bewoning een ruimtelijke impact zou hebben (zoals bedoeld in art. 1.1.2., 7° VCRO), dan nog deze impact bijzonder beperkt is, temeer nu de woning perfect aansluit bij de woonkern van de gemeente Moorslede.
Bovendien zou de inwilliging van de herstelvordering zoals gezegd niet leiden tot het verdwijnen van de constructie, maar enkel tot de leegstand ervan, en (bij gebreke aan onderhoudswerken, inherent aan het gebruik) op termijn tot het verval ervan, waarmee een goede ruimtelijke ordening niet gebaat is. Vanuit dit oogpunt is de vordering in elk geval kennelijk onredelijk.’

Een belangwekkend arrest, voorwaar.

Referentie: Gent, 11 oktober 2013, 2007/AR/778, ng. (ref. Pub502101)

Deel dit artikel