Kortrijk
Bewolkt
11° - 22°
Antwerpen
Bewolkt
12° - 23°
Blog
Blog
07 november 2012  | Dirk Van Heuven

Bestaat een voortzettingsmisdrijf? (bis)

De rechtbank van eerste aanleg te Ieper is in een zeer helder vonnis van 19 oktober 2012 alvast de mening toegedaan dat dit niet het geval is (en dat enkel een instandhoudingsmisdrijf bestaat).

“De eiser beroept zich tevens op artikel 6.1.1., lid 1, 1° VCRO om haar herstelvordering ingewilligd te zien.

Uit de bewoording van artikel 6.1.1. VCRO, meer bepaald “uitvoert, voortzet of in stand houdt” leidt de eiser af dat er naast het oprichtingsmisdrijf en het instandhoudingsmisdrijf een derde soort misdrijf bestaat, namelijk het “voortzettingsmisdrijf”. Het verschil tussen de laatste twee (beide voortdurende misdrijven) zou bestaan in het stilzitten versus het actief handelen. Het instandhoudingsmisdrijf zou een “schuldig verzuim” uitmaken (nalaten of stilzitten) waarbij de betrokken persoon wetens en willens verzuimt om een einde te stellen aan een hem gekend stedenbouwkundig misdrijf. Het “voortzettingsmisdrijf” zou een continu wederrechtelijk handelen betreffen dat zich bijvoorbeeld veruitwendigt door het actief gebruik van de wederrechtelijke bouwwerken (bv. bewonen van het wederrechtelijk bouwwerk nadat de handhavende overheid is tussengekomen). De eiser wijst erop dat die “voortzetting” blijkt uit een feit of akte aangevoerd in de dagvaarding, zodat overeenkomstig artikel 807 Ger.W. de juridische omschrijving van de rechtsvordering kan gewijzigd worden.

De verweerders betwisten het bestaan van het “voortzettingsmisdrijf”. Zij betwisten dat een onderscheid dient gemaakt tussen het voortzettingsmisdrijf en het instandhoudingsmisdrijf waarbij deze laatste enkel zou bestaan uit een omissiedelict. De verweerders wijzen erop dat in het verleden ook een actief gebruik als instandhouding werd gekwalificeerd en dat de wetgever nooit met “voortzetten” de bedoeling heeft gehad om een actief voortdurend gebruiksmisdrijf te onderscheiden van het instandhoudingsmisdrijf, dat “voortzetten” daarentegen wijst op de omstandigheid waarbij men, na een onderbreking of een relevant feitelijk of juridisch gebeuren, de zaken verder (voort)zet, zijnde een ogenblikkelijk misdrijf. Voorts verwijzen de verweerders naar het cassatiearrest van 02.05.2006 waarin de eigenlijke bewoning werd gekwalificeerd als de instandhouding van de functiewijziging (Cass. 02.05.2006, T.R.O.S. 2007, afl. 45, 54-60). Ter argumentatie daarvan wijzen zij op het feit dat een voortgezet misdrijf is samengesteld uit verschillende strafbare gedragingen, terwijl wonen op zich geen strafbare gedraging is, doch wel de functiewijziging tot bewoning. De functiewijziging maakt een ogenblikkelijk misdrijf uit en de verdere bewoning ervan is een instandhouding. Tenslotte kaarten de verweerders een discussie tussen de decreetgever en de handhavende overheid aan in die zin dat de handhavende overheid zich niet wenst te schikken naar de duidelijke wens van de decreetgever. Waar de decreetgever duidelijk de wil heeft geuit om de strafbaarstelling van het instandhoudingsmisdrijf aan te pakken, gaat de eiser met zijn thans naar voren geschoven nieuwe theorieën het verjaringscontentieux van de decreetgever teniet doen, zo stellen de verweerders.

De eiser wijzigde niets aan de in de dagvaarding aangevoerde feitelijke gegevens, doch bracht in conclusies hoogstens een nieuwe rechtsgrond aan hetgeen in overeenstemming is met artikel 807 Ger.W. Bovendien kan het gevoegde bestuur de herstelvordering en de motieven ervan tijdens het geding aanpassen en nader toelichten gebaseerd op de tegen deze vordering aangevoerde bezwaren. Niets staat eraan in de weg dat deze aanpassingen bij wijze van conclusie namens het bevoegde bestuur zou geschieden (Cass. 31.05.2011, P.11.0003.N, www.cass.be). Uit de feitelijke gegevens blijkt inderdaad dat de eerste verweerder het kwestieuze onroerend goed bewoonde. De eiser kan zich in principe steunen op het feit van de bewoning door de eerste verweerder om zijn herstelvordering in te stellen. Zo meent de eiser ook dat er tot op heden sprake is van een niet voltooid stedenbouwmisdrijf zodat geen sprake is van verjaring en nog steeds een herstelmaatregel kan worden opgelegd ten einde de gevolgen van de inbreuk in het algemeen belang te doen verdwijnen.
Uit het voornoemde cassatiearrest van 02.05.2006 blijkt dat een permanente bewoning geen constitutief deel uitmaakt van het misdrijf van uitvoering van de vergunningsplichtige functiewijziging. De permanente bewoning wordt omschreven als de wederrechtelijke toestand die volgt op het misdrijf van functiewijziging en waaruit af te leiden valt dat het misdrijf van de bedoelde functiewijziging heeft plaatsgevonden. Het misdrijf van instandhouding van deze niet vergunde functiewijziging bestaat in het schuldig verzuim een einde te stellen aan de wederrechtelijke functiewijziging wat blijkt uit de verdere bewoning ervan. Het is derhalve duidelijk dat uit het cassatiearrest blijkt dat de bewoning een instandhouding uitmaakt en voorts in ieder geval op geen enkel moment stelt dat de bewoning een “voortzettingsmisdrijf” zou uitmaken. In die zin wordt ook gewezen op de dagvaarding van de eiser die ook de bewoning liet vallen onder de noemer van instandhouding, terwijl ditzelfde bewonen plots een “voortzettingsmisdrijf” zou uitmaken.

De verweerders wijzen terecht op het beoogde resultaat met de invoering van de twee laatste leden als artikel 6.1.1. VCRO. Het blijkt inderdaad uit de tekst van de wet, zowel als uit de parlementaire stukken dat de decreetgever de rechtszekerheid inzake de instandhoudingsmisdrijven buiten de ruimtelijk kwetsbare gebieden wenste te herstellen door uitdrukkelijk de depenalisering, zowel als de onmogelijkheid om langer herstelvorderingen op die grond in te willigen te voorzien. Er wordt noch in de wettekst, noch in de parlementaire stukken op enige manier verwezen naar een “voortzettingsmisdrijf” (of het stellen van actieve handelingen) dat een ander regime zou volgen.
Met de woorden “voortzet” in artikel 6.1.1. VCRO heeft de decreetgever niet beoogd een “voortzettingsmisdrijf” te creëren welke zou moeten onderscheiden worden van een instandhoudingsmisdrijf. Het is waarschijnlijk dat de decreetgever met “voortzet” heeft bedoeld “het verder oprichten van een vergunningsloos of –strijdig bouwwerk” zoals opgenomen in artikel 6.1.1., 5° VCRO namelijk het voortzetten in strijd met een bevel tot staking, de bekrachtigingsbeslissing of, in voorkomend geval, de beschikking in kortgeding.Er valt ook vanuit het ruimtelijk/maatschappelijk belang geen redelijke uitleg te vinden voor het voeren van twee verschillende regimes, namelijk de instandhouding en de voortzetting, aan dewelke elk een totaal ander gevolg zou moeten gegeven worden.

De herstelvordering van de eiser op grond van het “voortzettingsmisdrijf” is ongegrond.”

Deze uispraak werd beroepen door de gewestelijk stedenbouwkundige inspecteur. Het is geweten dat er ook andersluidende rechtspraak is (zie eerder nochtans dit blogbericht).

Het Hof van Cassatie zal hierover uiteindelijk uitsluitsel moeten geven.

Referentie : Rb. Ieper 19 oktober 2012, rolnr. AR08/442/A, ng. (ref: Pub501702).

Deel dit artikel