Kortrijk
Regen
4° - 9°
Antwerpen
Regen
5° - 10°
Blog
Blog
02 oktober 2015  | Dirk Van Heuven

Baanbrekend arrest Raad voor Vergunningsbetwistingen inzake artikel 159 GW

In een zeer belangwekkend arrest nr.A/2015/0344 van 9 juni 2015 werd de Raad voor Vergunningsbetwistingen geconfronteerd met de vraag of de vergunningverlenende overheid, na vernietiging (door de Raad van State) van een stedenbouwkundige vergunning wegens onwettigheid van het ‘onderliggende’ bijzonder plan van aanleg (BPA), abstractie kon maken van dit BPA bij de herbeslissing.Traditioneel werd door de Raad van State gesteld dat in dat geval een herstellend ruimtelijk uitvoeringsplan moet worden opgemaakt, maar dat de vergunning verlenende overheid gehouden is om in afwachting het onwettig bevonden BPA opnieuw toe te passen.Deze ongelukkige rechtspraak leidde en leidt tot een carrousel van herbeslissingen, waarbij de vergunningverlenende overheid steeds verplicht wordt om te toetsen aan een BPA dat nochtans onwettig werd bevonden, en dus opnieuw zal worden bevonden door de administratieve rechter.Ziehier de meest relevante passages van het arrest van 9 juni 2015:'Standpunt van de partijen.In dit middel roepen de verzoekende partijen de schendingen in van het BPA nummer 33/4 ‘Kerkhof Hoog-Kortrijk’, artikel 159 Grondwet, van het gezag van gewijsde als algemeen rechtsbeginsel en van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, meer specifiek van de materiële motiveringsplicht, het zorgvuldigheidsbeginsel, het redelijkheidsbeginsel en het beginsel ‘patere legem quam ipse fecisti’.De verzoekende partijen stellen dat het BPA door de Raad van State niet werd vernietigd zodat het tot op vandaag nog steeds bestaat. De verwerende partij dient de aanvraag dan ook te toetsen aan het BPA, aangezien zij niet zelf de exceptie van onwettigheid kan inroepen. De verzoekende partijen menen dat de verwerende partij het BPA niet zonder meer buiten toepassing kan laten. Zij stellen dat de verwerende partij eerst de nodige planologische initiatieven moet nemen om de onwettigheid te verhelpen alvorens een nieuwe vergunningsbeslissing te nemen. Het BPA is immers niet uit het rechtsverkeer verdwenen.De verwerende partij wijst er op dat de Raad van State heeft geoordeeld dat het BPA onwettig is omdat er niet afdoende is gemotiveerd waarom het ‘desnoods’ van de gewestplanbestemming afwijkt. De Raad van State heeft dus tussen de partijen geoordeeld dat het BPA buiten toepassing moet gelaten worden. De verwerende partij meent dat krachtens dit ‘dictum’ zij geen rekening meer mag houden met het onwettig BPA.Verder meent de verwerende partij dat de vraag of zij een BPA buiten toepassing kan laten of niet, geen rol speelt, aangezien het BPA altijd door artikel 20 Inrichtingbesluit ter zijde kan geschoven worden.Ook de tussenkomende partij wijst op het arrest van 5 december 2011 (nr. 216.674) van de Raad van State waaruit volgt dat de verwerende partij het BPA niet meer mocht toepassen. Artikel 159 Grondwet bevat volgens de tussenkomende partij een algemeen rechtsbeginsel dat ook geldt voor de administratieve overheden. Ook zij kunnen onwettige besluiten buiten toepassing laten. De tussenkomende partij meent dat het fundamenteel zou indruisen tegen de rechtsstaatidee dat een overheid een duidelijke onwettige beslissing moet toepassen, goed wetende dat een rechter deze beslissing later onwettig zal bevinden.
Beoordeling door de Raad
De Raad van State heeft in het arrest van 5 december 2011 met nummer 216.674 vastgesteld dat het BPA nummer 33/4 “Kerkhof Hoog-Kortrijk” onwettig is en daardoor ook de stedenbouwkundige vergunning van 21 april 2008. Naar aanleiding van dit vernietigingsarrest heeft de verwerende partij, op basis van dezelfde ingediende stedenbouwkundige aanvraag, een nieuwe beslissing genomen, zijnde de bestreden beslissing.Het arrest van de Raad van State van 5 december 2011 (nr. 216.674) heeft gezag van gewijsde erga omnes voor wat betreft de uitgesproken vernietiging van de toen bestreden stedenbouwkundige vergunning. Dit betekent dat ten aanzien van iedereen, zowel de betrokken overheid, de procespartijen, als derden die in aan het proces niet deelnamen, komt vast te staan dat de bestreden bestuurshandeling heeft opgehouden te bestaan en geacht wordt nooit bestaan te hebben. Dit gezag van gewijsde strekt zich bovendien uit tot de motieven, die aan de vernietiging ten grondslag liggen en er de noodzakelijke ondersteuning van uitmaken in de mate dat die motieven betwistingen beslechten die typisch zijn voor die zaak. Het betekent aldus dat de vernietigde handeling niet alleen is vernietigd maar ook dat zij was aangetast door de in de vernietigingsgrond vastgestelde onwettigheid.
In voorliggend arrest van 5 december 2011 vernietigde de Raad van State de bestreden vergunning omwille van een vastgestelde onwettigheid die kleeft aan het BPA “Kerkhof Hoog Kortrijk”.De Raad van State stelde immers vast dat het BPA, vastgesteld door de gemeenteraad bij besluit van 9 september 1994, niet voldoet aan de voorwaarden om “desnoods” af te wijken van de bestemming van woonuitbreidingsgebied, de bestemming waarbinnen het bouwperceel gelegen is.
Ten aanzien van de vernietigde bestuurshandeling heeft het vastgestelde vernietigingsmotief ook een erga omnes karakter.Het is inderdaad juist dat dit vernietigingsmotief niet geldt ten aanzien van derden die met een gelijkaardige beslissing worden geconfronteerd. Voor deze derden heeft het vernietigingsmotief inzake de onwettigheid van het BPA geen enkel gezag van gewijsde.De verwerende partij die, na de vernietiging, over dezelfde stedenbouwkundige aanvraag opnieuw diende te oordelen, is echter geen “derde” en diende dus wel rekening te houden met de in het vernietigingsarrest opgenomen vernietigingsmotief. Alhoewel het BPA zelf niet vernietigd werd, staat met betrekking tot deze aanvraag – waarvan de feitelijke aanvraaggegevens niet gewijzigd werden – vast dat dit vernietigingsmotief inter partes doorwerkt in dezelfde vergunningsaanvraag. Tussen dezelfde partijen geldt dit vernietigingsmotief immers als „rechterlijke waarheid‟ en zij moeten er rekening mee houden.
De verwerende partij heeft dan ook terecht het BPA niet toegepast, gelet op de vastgestelde onwettigheid van het BPA jegens de aanvraag van de tussenkomende partij.Op te merken valt dat de verwerende partij geen eigen beoordeling heeft gemaakt over de wettigheid van het BPA en dat zij geen eigen toepassing van artikel 159 Grondwet gemaakt. Zij heeft louter als volgt geoordeeld: “Het gewestplan is van toepassing. Het bijzonder plan van aanleg nr. 33/4 “Kerkhof Hoog-Kortrijk” kan niet van toepassing zijn omdat de Raad van State dit BPA in het eerder genoemd arrest onwettig heeft bevonden”.
Het gezag van gewijsde van het vernietigingsarrest van 5 december 2011 verbiedt de verwerende partij immers inzake dezelfde aanvraag opnieuw dezelfde onwettigheid te begaan.Uit het vernietigingsarrest van de Raad van State van 5 december 2011 kan ook niet afgeleid worden dat de verwerende partij, naast de plicht tot het nemen van een herstelbeslissing, ook een bijkomende rechtsplicht zou hebben tot „herstel‟ van het BPA, of zoals de verzoekende partij het uitdrukt, tot het nemen van de nodige planologische initiatieven.
De verwerende partij was enkel verplicht tot rechtsherstel jegens de aanvrager (nu tussenkomende partij), rekening houdende met de jegens die aanvrager (en de eerder verleende vergunning) geformuleerde vernietigingsmotieven.
De verwerende partij heeft aan die plicht voldaan door de aanvraag te beoordelen op basis van het gewestplan nu de onwettigheid van het BPA vaststond in hoofde van dezelfde aanvrager in het kader van dezelfde stedenbouwkundige aanvraag.
Om aan deze rechtsplicht te voldoen heeft de verwerende partij ondermeer – gelet op de niet toepasbaarheid van het BPA – een openbaar onderzoek georganiseerd'.

Deel dit artikel