17/01/2015

Vlaams Gewest (extracontractueel) in de fout wegens niet-uitvoering van artikel 2.4.10 VCRO

In een opmerkelijk vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel wordt het Vlaams Gewest extra-contractueel aansprakelijk gesteld omdat nog steeds geen uitvoeringsbepalingen werden genomen met betrekking tot de aankoopplicht in artikel 2.4.10 VCRO dat als volgt luidt:

‘§1. De eigenaar van een onroerend goed kan van het Vlaams Gewest de verwerving daarvan eisen indien hij aantoont dat, tengevolge van de vaststelling van één of meer al dan niet opeenvolgende ruimtelijke uitvoeringsplannen, de waardevermindering van zijn onroerend goed ernstig is of de leefbaarheid van de bestaande bedrijfsvoering ernstig in het gedrang komt (…). 
§2. De Vlaamse regering bepaalt de nadere voorwaarden in de procedure van de aankoopplicht. De Vlaamse regering bepaalt de wijze van berekening van het bedrag van de aankoopprijs waarop de eigenaar recht heeft. (…)’.

De rechtbank oordeelde als volgt:

‘De Vlaamse regering zou volgens de nv A., de nv P. en de nv R. evenwel de redelijke termijn voor het vaststellen van dit uitvoeringsbesluit hebben overschreden en als zodanig een fout hebben gepleegd in de zin van artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek. Zij zouden aldus aanspraak kunnen maken op het herstel van de schade die door deze fout werd ondergaan, en de verplichte aankoop van hun gronden – tegen de werkelijke waarde, zonder rekening te houden met de waardevermindering die volgt uit het GRUP - zou een herstel in natura uitmaken van deze schade.

Het Vlaams Gewest betwist een fout te hebben begaan in de zin van artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek. Zij verwijst daartoe naar twee rechterlijke uitspraken waarin werd gesteld dat het uitblijven van uitvoeringsbesluiten niet kan beschouwd worden als een fout omdat de betrokken eiser aanspraak kon maken op een planschadevergoeding.

De rechtbank kan zich daarbij niet aansluiten. De omstandigheid dat de eigenaar die zich op de aankoopplicht wenst te beroepen ook aanspraak kan maken op een planschadevergoeding, heeft geen uitstaans met de vraag of de Vlaamse regering al dan niet een fout beging door geen (tijdige) uitvoering te geven aan artikel 2.4.10 van de VCRO. Artikel 2.4.10, §3 van de VCRO viseert overigens uitdrukkelijk de situatie waarin de eigenaar die een beroep doet op de aankoopplicht, ook aanspraak kan aken op een planschadevergoeding. De omstandigheid dat de eigenaar ook aanspraak kan maken op een planschadevergoeding, ontslaat de Vlaamse regering dan ook niet van haar verplichting om uitvoering te geven aan de opdracht van de decreetgever om de besluiten vast te stellen die de toepassing van artikel 2.4.10 van de VCRO mogelijk maken.

Artikel 2.4.10 van de VCRO is op 1 september 2009, thans reeds meer dan 4 jaar geleden, in werking getreden, zonder dat de uitvoeringsbesluiten werden vastgesteld die het mogelijk maken dat de eigenaars die zich in de decretale toepassingsvoorwaarden bevinden, hun aanspraak op de aankoopverplichting kunnen laten gelden.

Een termijn van 4 à 5 jaar om een uitvoeringsbesluit vast te stellen hoeft niet in alle omstandigheden als overdreven lang te worden beschouwd, doch het behoort de betrokken overheid in dergelijk geval om de redenen aan te geven waarom zij er nog niet in geslaagd is om de nodige besluiten te nemen (bv. technische moeilijkheidsgraad, noodzaak om overleg te plegen met actoren op het terrein, raadpleging van adviesorganen, …).

Het Vlaams Gewest voert in haar conclusies evenwel geen enkele reden aan ter verantwoording van het langdurig stilzetten van zijn regering.

In deze omstandigheden oordeelt de rechtbank dat het Vlaams Gewest een fout begaat in de zin van artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek, door na te laten zonder redelijke verantwoording binnen een redelijke termijn de nodige besluiten vast te stellen ter uitvoering van artikel 2.4.10 van de VCRO.’

Referentie: Rb. Brussel, 7 februari 2014, ng.  (pub505102)

Meer tags?