18/05/2022

Niet gelijktijdige zending van een omgevingsberoep aan het CBS leidt niet noodzakelijk tot onontvankelijkheid

Artikel 56 Omgevingsvergunningsdecreet bepaalt dat diegene die een administratief beroep tegen een omgevingsvergunningsbeslissing instelt op straffe van onontvankelijkheid gelijktijdig en per beveiligde zending een afschrift van het beroepsschrift moet bezorgen aan de vergunningsaanvrager (als deze niet zelf het beroep instelt), de deputatie (indien deze in eerste administratieve aanleg de beslissing heeft genomen) en aan het college van burgemeester en schepenen (als deze niet zelf het beroep instelt). 

De Raad van State bevestigde recent als cassatierechter de eerdere rechtspraak van de Raad voor Vergunningsbetwistingen dat de niet-gelijktijdige zending van een afschrift van het administratief beroep aan het college van burgemeester en schepenen niet noodzakelijk moet leiden tot de onontvankelijkheid van het beroep. Het luidt in het niet-cassatiearrest nr. 253.536 van 21 april 2022 als volgt:

'10. Het middel dat stelt dat artikel 56, derde (lees: tweede) lid, OVD “op duidelijke wijze en zonder twijfel open te laten een ontvankelijkheidsvereiste opneemt”, “de gewestelijke omgevingsambtenaar niet gemachtigd [is] om het decreet naast zich neer te leggen louter omwille van de redenering dat het gestelde ‘normdoel’ bereikt zou zijn en/of dat er geen belangenschade zou zijn in hoofde van het CBS”, het “niet de bedoeling [kan] zijn dat bij een duidelijke wetsbepaling in materiële zin een orgaan van actief bestuur […] kan oordelen dat hetzij omwille van belangenafweging of belangenschade, dan wel omwille van het ‘normdoel’ de duidelijke rechtsregel toch niet dient te worden toegepast”, maakt abstractie van de aangehaalde reflexwerking van deze verdragsrechtelijke bepalingen. Het middel faalt in zoverre naar recht.

(...)

12. Het bestreden arrest oordeelt:
- de “vereiste van ‘gelijktijdigheid’ in artikel 56 van het Omgevingsvergunningsdecreet […] betekent […] dat er in principe op de dag van de beveiligde zending van het beroep aan [het Vlaamse Gewest] ook een afschrift van het beroepschrift per beveiligde zending moet worden bezorgd aan de aanvrager, de deputatie als die in eerste administratieve aanleg de beslissing heeft genomen, en het college van burgemeester en schepenen”,
- “vormvereisten moeten in beginsel niet worden vervuld omwille van zichzelf, maar omwille van het doel dat ze moeten dienen”,
- de gelijktijdige kennisgevingsvereiste ten aanzien van het college van burgemeester en schepenen is niet alleen “nog steeds [...] ingegeven vanuit een zekere proceseconomische doelstelling” maar “ook [vanuit] een specifieke informatiedoelstelling”, meer bepaald “het nuttig kunnen toezien op het niet starten van de werken” gelet op het schorsend karakter van het beroep ingevolge artikel 55 OVD, 
- “[i]n het licht van de eerste doelstelling” is (1) “het overmaken van het bewijs dat een afschrift van het beroepschrift aan het college van burgemeester en schepenen niet dienstig […] om zo spoedig mogelijk het administratief dossier over te maken” aangezien dit dossier in dit geval niet door het college van burgemeester en schepenen moet worden overgemaakt omdat het niet het vergunningverlenend bestuursorgaan in eerste aanleg was, en (2) faciliteert de voorafgaande gelijktijdige overmaking door de beroepsindiener van een afschrift van zijn beroepschrift de adviserende taak van het college van burgemeester en schepenen dat te dezen “slechts 11 dagen minder de tijd [heeft] gehad om zijn eventueel advies voor te bereiden, wat bovendien relatief is aangezien op dat ogenblik nog geen termijn liep voor het indienen van het advies”; bijgevolg kan “in het licht van de […] toegang tot de [RvVb] [...] worden gesteld dat de proceseconomie niet in het gevaar is gebracht” en “wordt op geen enkele wijze aangetoond dat het normdoel niet zou zijn behaald”,
- “in het licht van de informatiedoelstelling, en met name het tijdig informeren van het college van burgemeester en schepenen over een schorsend administratief beroep”, wordt niet aangetoond “dat het college van burgemeester en schepenen zou geschaad zijn in zijn belangen door de laattijdige verzending van een afschrift van het beroepschrift” aangezien het een afschrift van het beroepschrift ontving op maandag 30 september 2019 “over een vergunning die uitvoerbaar werd op 26 september 2019, terwijl de vergunning reeds door het ingestelde administratief beroep daadwerkelijk geschorst was en de aanvragers hiervan onmiddellijk op de hoogte waren” waardoor het college van burgemeester en schepenen “‘slechts’ vier dagen in het ongewisse [bleef] over een mogelijke al dan uitvoering van de aanvraag”; bovendien blijkt dat de gemeente na de registratie van het analoog ingediend beroepschrift in het digitaal loket, “reeds op 18 september 2019 van dit beroep op de hoogte werd gesteld”; het normdoel van de vormvereiste werd dus kennelijk bereikt aangezien de vergunningaanvragers “met zekerheid konden weten dat de uitvoering niet kon starten op 26 september 2019” en ook moet worden vastgesteld dat het college, dat “door de digitale kennisgeving reeds op de hoogte was van het ingediende beroepschrift”, “alsnog in staat zou zijn om op te treden” bij een eventuele miskenning van de schorsing,
- de sanctie in artikel 56 OVD moet bovendien gelezen worden in het licht van artikel 9.3 van het verdrag van Aarhus waardoor deze ontvankelijkheidsvereiste niet zo kan worden uitgelegd of toegepast dat de toegang van belanghebbenden tot de administratieve beroepsprocedure op onevenredige wijze bemoeilijkt wordt; dit geldt des te meer omdat een correct, ontvankelijk ingesteld administratief beroep een noodzakelijke voorwaarde vormt voor een ontvankelijk jurisdictioneel beroep bij de RvVb ingevolge artikel 105, § 2, OVD; het niet strikt vervullen door Nicolas Verstraete van de formaliteit om tegelijkertijd een afschrift van het administratief beroepschrift te bezorgen aan het college van burgemeester en schepenen heeft deze niet in zijn belang geschaad en heeft er niet aan in de weg gestaan dat aan het normdoel van deze formaliteit is voldaan.

Het bestreden arrest besluit dat “het hanteren van de sanctie van onontvankelijkheid van het administratief beroep onevenredig [is] met het vooropgestelde doel en al te streng”.

13. Uit wat voorafgaat blijkt dat het bestreden arrest de wettigheid van de bestreden onontvankelijkheidsbeslissing van de gewestelijke omgevingsambtenaar onderzoekt onder gelding van artikel 56, tweede lid, OVD.

Het middel, in zoverre ontvankelijk, dat aanvoert dat het bestreden arrest “de decretale ontvankelijkheidsvereiste uit artikel 56, derde (lees: tweede) lid van het Omgevingsvergunningsecreet” miskent, mist feitelijke grondslag.

Het middel, in zoverre ontvankelijk, dat aanvoert dat de RvVb “na[laat] om artikel 56, derde (lees: tweede) lid van het Omgevingsvergunningsdecreet correct toe te passen”, is niet gegrond.​​​​​​​'

In het arrest nr. 253.537 van  21 april 2022komt de Raad van State tot een gelijkluidend oordeel. 

Het komt degene die de ontvankelijkheid van het beroep moet beoordelen aldus toe om - in het licht van het normdoel van artikel 56 Omgevingsvergunningsdecreet - de ontvankelijkheidsvereiste van de gelijktijdige zending te beoordelen.

Meer tags?