04/07/2022

Gemeentelijke milieustakingsvordering als alternatief voor de Raad voor Vergunningsbetwistingen!

Reeds eerder hebben we u bericht over het vonnis van de Kortrijkse milieustakingsrechter van 8 juli 2019 waarbij aan een landbouwer verbod werd opgelegd om een derde pluimveestal te bouwen onder verbeurte van een dwangsom van 10.000€ per dag dat gebouwd wordt.

In ons blogbericht over dit vonnis schreven we dat de gemeentelijke milieustakingsvordering een ernstig alternatief is voor een procedure voor de Raad voor Vergunningsbetwistingen, in het bijzonder omwille van de snelheid van de milieustakingsprocedure én omwille van het feit dat de ontvankelijkheidsdrempel van een procedure tot schorsing voor gemeenten of colleges van burgemeester en schepenen hoger ligt bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen dan bij de milieustakingsrechter.

De uitspraak van de Kortrijkse milieustakingsrechter werd door de 9e kamer van het hof van beroep te Gent bevestigd in een arrest van 24 juni 2022.

Over artikel 159 GW.
‘Ingevolge de toepassing van artikel 159 GW [dient] het hof bij de beoordeling van de voorliggende milieustakingsvordering te oordelen zonder aan ‘het bestaan’ van de omgevingsvergunning enig rechtsgevolg te [kunnen] geven. Daaraan doet (in weerwil van wat appellant voorhoudt) geen afbreuk de vaststelling dat tegen deze vergunning geen administratief beroep werd ingesteld, dat dit inzonderheid niet door [de gemeente] gebeurde en dat de termijn hiervoor inmiddels verstreken is. Noch het rechtszekerheidsbeginsel, noch de mogelijkheden die appellant zou hebben gehad in het kader van haar administratief beroep, noch de bestuurlijke lus waarin het beslissingsproces bij een vernietiging gebeurlijk zou zijn terechtgekomen, noch de vaststelling dat middels de toepassing van artikel 159 GW bij de beoordeling van het voor dit hof aanhangig geschil tussen partijen de betrokken beslissing niet ‘erga omnes’ uit het rechtsverkeer genomen wordt, doen hieraan afbreuk en/of verplichten het hof, noch laten het aan het hof toe, aan een onwettig bevonden beslissing waartegen geen administratief beroep meer mogelijk is, rechtsgevolg te verlenen'. 

Over de bedoeling van een voorwaarde in een omgevingsvergunning.
‘Het opleggen van een voorwaarde in een stedenbouwkundige vergunning impliceert precies dat de vergunningverlenende overheid van oordeel is dat het gevraagde niet in overeenstemming is met de goede ruimtelijke ordening en daarom alsdusdanig niet vergunbaar is, maar niets het naleven van een op te leggen voorwaarde toch nog daarmee in overeenstemming te brengen is, zodat het gevraagde middels het opleggen van die voorwaarde alsnog vergunbaar wordt’.

Aldus is het zo dat, zoals [de gemeente] terecht stelt, het CBS bij het verlenen van de vergunning voor de 2 stallen, zoals thans ingepland en met beperkte groenscherm, zoals thans uitgevoerd, alsook met zijgevels gebouwd in de materialen zoals uitgevoerd, hoegenaamd niet in overeenstemming achtte met de (plaatselijke) goede ruimtelijke ordening en daarom ook als zodanig normaal (zonder de voorwaarden voormeld) niet vergunbaar achtte; precies om die reden legde het gezegde voorwaarden op’.

Over de motiveringsplicht.
'In de uitoefening van zijn opgedragen wettigheidstoezicht, kan de rechter, (en dus thans het hof) zijn beoordeling van de feiten (laat staan van een goede plaatselijke ordening) niet in de plaats stellen van die van de bevoegde administratieve overheid, die daaromtrent over een discretionaire bevoegdheid beschikt. Wel is de rechter bevoegd om na te gaan of het vergunningverlenend bestuur de hem dienaangaande toegekende appreciatiebevoegdheid naar behoren heeft uitgeoefend en met name of hij is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of hij deze gegevens correct heeft beoordeeld en of hij op grond daarvan rechtmatig en dus niet kennelijk onredelijk tot zijn beslissing is kunnen komen.

Een kennelijk onredelijke beslissing zal voorliggen wanneer de rechter dient vast te stellen dat deze beslissing dermate afwijkt van het normaal te verwachten beslissingspatroon, dat het ondenkbaar is dat een ander normaal zorgvuldig bestuur handelend in dezelfde omstandigheden tot dezelfde besluitvorming zou komen’.

Vervolgens analyseert het hof van beroep te Gent de betwiste vergunningsbeslissing van de minister om te besluiten dat deze beslissing gebrekkig gemotiveerd is (terwijl de eerste rechter meende dat de beslissing kennelijk onredelijk was).

In elk geval maken het milieustakingsvonnis en- arrest een belangrijk precedent uit voor een efficiënt optreden van de gemeente tegen een beroepsbeslissing in omgevingsrecht waarmede zij het kennelijk niet eens is.

Referentie: Gent, 24 juni 2022, nr. 2022/5008 (Pub507646-2)

Stel hier je vraag bij dit blogbericht


Dirk Van Heuven Milieustaking Wettigheidsexceptie
Meer tags?