13/07/2020

Paardenstalling of poolhouse als bijgebouw: what’s in a name?

Over een paardenstal in agrarisch gebied die er geen is.

Beter één ezel voor de ploeg dan twee paarden op stal. Deze zegswijze moet naderhand de gedachten van de bouwheer gekruist hebben in de zaak van het arrest RvVb/A/1819/1324 van 20 augustus 2019 in het landelijke Bellem.

De uitgebreide werken (tuinaanleg, reliëfwijzigingen, verhardingen, toegangswegen, paardenstalling/bijgebouwen/welnessruimte/garage en carport) werden uitgevoerd in 2009 en 2010. Reeds in 2009 werd proces-verbaal opgesteld. De navolgende herstelvordering van de gewestelijk stedenbouwkundig inspecteur betrof onder meer de stal voor weidedieren die in strijd met de stedenbouwkundige vergunning van 2005 werd opgericht als essentieel een andere constructie (thans: “ontvangstruimte voor bezoek”). Evenzeer de aannemer en architect werden mede veroordeeld bij arrest van het hof van beroep te Gent van 18 november 2016, gezien de vergunde plannen niet (of geen plannen) werden nageleefd.

De daaropvolgende cassatieprocedure bood alvast enig perspectief. Het Hof van Cassatie oordeelde op 30 januari 2018 dat het arrest van het hof van beroep te Gent niet had geantwoord op het verweer dat de afwijkingsmogelijkheden moeten worden beoordeeld op grond van de vóór het misdrijf bestaande toestand enerzijds en dat, gelet op het vermoeden van vergunning van de constructie en de vóór 1984 verworven functiewijziging, moet worden aangenomen dat deze toestand wel degelijk een vergund geachte constructie is anderzijds. Het bestreden arrest van het hof van beroep te Gent werd slechts beperkt vernietigd, met name enkel in zoverre het de herstelvordering inwilligt strekkende tot de afbraak van het houten tuinhuis met verwijdering van de omliggende verharding, de aangelegde wegen en de stenen muren, alsook strekkende tot het uitvoeren van aanpassingswerken naar de vergunde toestand met betrekking tot de paardenstalling.

Naar aanleiding van de correctionele procedures (een interessant debat omtrent verjaring bij stedenbouwmisdrijven is waarschijnlijk niet aan bod gekomen) had de bouwheer in 2014 een regularisatieaanvraag voor de diverse constructies ingediend, waaronder de functiewijziging van het bijgebouw (paardenstalling) naar een zuiver residentiële functie (hobby/ontvangstruimte). Tegen de toegekende vergunning van de deputatie van de provincie Oost-Vlaanderen heeft de Leidend Ambtenaar van het Departement Omgeving (voorheen: Departement Ruimte Vlaanderen) medio 2015 jurisdictioneel beroep aangetekend. Vier jaar later werd de regularisatievergunning door de RvVb vernietigd.

De diverse constructies zijn immers niet bestemmingsconform; het is niet betwist dat de aangevraagde handelingen niet ten dienste staan van een (para-)agrarische activiteit.

“Zoals een ‘voorbijgestreefd’ gewestplan geen afwijkingsmogelijkheid in de zin van artikel 7.4.4, §1 VCRO is, kent de VCRO evenmin een bepaling die aan vergunningen een zodanige rechtskracht verleent, dat ze een daarmee strijdig gewestplan zouden opheffen”, stelt de RvVb hierover.

Terecht stelt de Raad dat de zonevreemde basisrechten dienden te worden getoetst:

Dat betekent dus een onderzoek naar de vraag of de zonevreemde constructie die op dezelfde plaats herbouwd zal worden a) gaat om een bestaande constructie, die b) hoofdzakelijk vergund en niet verkrot is op het ogenblik van de eerste vergunningaanvraag tot verbouwen, herbouwen of uitbreiden.

In de deputatievergunning werd hierover met geen woord gerept. Voor bepaalde constructies lijkt geen rechtsbasis voorhanden te zijn.

Nochtans zijn reeds geruime tijd zonevreemde functiewijzigingen mogelijk (o.m. als woningbijgebouwen), zodat heel wat leed had kunnen vermeden zijn met een van bij aanvang correcte vergunningsaanvraag.

Stel hier je vraag bij dit blogbericht


Isabelle Verhelle Ruimtelijke ordening & Stedenbouw
Meer tags?