12/09/2021

Strenge rechtspraak over begrip 'hoofdzakelijk vergund' bedreigt zonevreemde uitbreidingen voor bedrijven

De Raad van State  vernietigt met arrest nr. 251.441 van 9 september 2021 een milieuvergunning voor een schrijnwerkerij, waarbij - na een lange procedureslag - door de deputatie van Vlaams-Brabant werd overwogen dat de omstandigheid dat de bestaande, onvergunde stofafzuiginstallatie gelegen is in agrarisch gebied geen beletsel is:

'Er wordt door alle stemgerechtigde leden van de commissie aangesloten bij het standpunt van de beroeper dat de stofafzuiginstallatie niet bepalend is om het hoofdzakelijk vergund karakter van het bedrijf vast te stellen. De gevolgtrekkingen voor de wijze van vergunnen worden niet gedeeld. De exploitatie kan echter wel vergund worden mits uitsluiting van de betrokken stofafzuiginstallatie. Op deze wijze wordt een robuuste vergunning verleend voor de ingedeelde inrichtingen en activiteiten, zonder de discussie van hoofdzakelijk vergund zijn ten gronde te voeren. De betrokken stofafzuiginstallatie is in zijn vorm en zijn performantie ingegeven vanuit redenen van arbeidsveiligheid en aldus een sectorale regelgeving die naar analogie van bv. brandwetgeving niet noodzakelijk geïntegreerd dient te worden in de vergunning voor de exploitatie.

Vanuit de VLAREM-regelgeving zijn er eveneens algemene maatregelen inzake stofpreventie, maar deze omvatten niet noodzakelijk de geplaatste installatie en vergen evenmin dezelfde hoge performantie die vanuit arbeidsveiligheid wordt geëist. Elke vergunning wordt verleend onder de algemene en sectorale voorwaarden, waarbij het niet noodzakelijk is de exacte toestellen, processen of plaatsing hiervan te concretiseren. De afzuiginstallatie zelf is niet gerubriceerd. Zoals de beroeper terecht stelt zijn er alternatieven, zoals mobiele installaties per machine. Het is afdoende om van de vergunninghouder te verlangen dat overeenkomstig de algemene en sectorale voorwaarden de nodige stofbeheersingsmaatregelen worden genomen.
De stedenbouwkundige vergunning voor de stofafzuiginstallatie is te verlenen gebruikmakend van de afwijkingsbepalingen van art. 4.4.19 VCRO, die behalve afwijkingen voor installaties die voortvloeien uit milieuvoorwaarden (al dan niet algemeen, sectoraal en/of bijzonder), ook afwijkingen toestaat voor constructies die nodig zijn om gezondheidsredenen. De stofafzuiginstallatie vloeit voort uit de wet op het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk en dus in hoofdzaak uit gezondheidsredenen. Een geldige milieuvergunning is aldus zelfs niet nodig om deze afwijkingsregeling te kunnen toepassen. De behandeling van de stedenbouwkundige vergunning staat voorlopig geagendeerd op de deputatie van 18 oktober 2018'.

De Raad van State ziet dit in het arrest nr. 251.441 van 9 september 2021 anders:

'De historisch toepasselijke versie van artikel 4.1.1, 7°, VCRO, omschrijft het begrip ‘hoofdzakelijk vergund’ als “[…] een stedenbouwkundige vergunningstoestand, waarbij geldt dat: […] bedrijven en hun constructies slechts hoofdzakelijk vergund zijn indien de voor een normale bedrijfsvoering noodzakelijke constructies vergund of vergund geacht zijn, ook wat de functie betreft”.

In de parlementaire voorbereiding van die bepaling valt te lezen dat het voor “bedrijven (en de constituerende bedrijfsgebouwen)” gaat “om een vergunningstoestand waarbij de voor een normale bedrijfsvoering kennelijk noodzakelijke constructies vergund of vergund geacht zijn”, de “gebouwen, bouwwerken en overige constructies die, in de ogen van elk normaal zorgvuldig beoordelaar, voor een bedrijf van een bepaald type en van een bepaalde grootteorde noodzakelijk zijn, behoorlijk zijn vergund of geacht moeten worden vergund te zijn” en dat dit geen bedrijfseconomische inschatting betreft, maar dat daarentegen moet “worden nagegaan en gemotiveerd welke ‘assets’ aanwezig moeten [zijn], rekening houdend met de typologie en de grootte van het bedrijf” (Parl.St., Vl.Parl. 2008-09, 2011/1, p. 88). Voor de beoordeling van het hoofdzakelijk vergund karakter van de betrokken inrichting is het derhalve bepalend dat “de voor een normale bedrijfsvoering noodzakelijke constructies vergund of vergund geacht zijn”.

Er kan geen ernstige betwisting over bestaan dat een stofafzuiginstallatie noodzakelijk is voor de normale bedrijfsvoering van een houtbewerkingsbedrijf. De bestreden vergunnningsbeslissing bevestigt in dit verband overigens dat de Vlarem-regelgeving “algemene maatregelen inzake stofpreventie” oplegt, dat overeenkomstig deze “algemene en sectorale voorwaarden” de “nodige stofbeheersingsmaatregelen” genomen moeten worden, dat de stofafzuiginstallatie is “ingegeven vanuit redenen van arbeidsveiligheid” en voortvloeit uit de wet “op het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk”. Bij de milieuvergunningsaanvraag is trouwens een bijlage E6/A gevoegd waarin uitdrukkelijk wordt gesteld dat stofafzuiging een verplichte investering is die “nodig is om de werkomstandigheden binnen het atelier leefbaar en wettelijk te maken”.

Uit deze vaststellingen volgt dat zowel de verwerende partij als de tussenkomende partij hebben aangegeven dat een installatie voor stofafzuiging een noodzakelijke, dus verplichte, voorwaarde is voor de normale bedrijfsvoering van het vergunde houtbewerkingsbedrijf. Ook blijkt uit de verwijzing in de bestreden beslissing naar de “vorm en […] performantie” van de stofafzuiginstallatie dat er een verband bestaat met de arbeidsveiligheid in de inrichting. Bijgevolg moet worden aangenomen dat de keuze voor de betrokken installatie mede is gemaakt vanuit de typologie en de grootte van het bedrijf en dus noodzakelijkerwijze afgestemd is op de activiteiten die plaatsvinden in de betrokken inrichting. De stofafzuiginstallatie en de machinehal in het bedrijfsgebouw, dienen dan ook te worden beschouwd als samenstellende onderdelen van de betrokken inrichting die onlosmakelijk met elkaar zijn verbonden.

Uit wat voorafgaat volgt dat de verwerende partij niet op draagkrachtige wijze kon aannemen dat de stofafzuiginstallatie “niet bepalend is om het hoofdzakelijk vergund karakter van het bedrijf vast te stellen” en dat de gevraagde milieuvergunning kon worden verleend “voor de ingedeelde inrichtingen en activiteiten, zonder de discussie van hoofdzakelijk vergund zijn ten gronde te voeren”.'

Daardoor dreigt de vrees dat artikel zoals verwoord door de raadsman van de schrijnwerkerij zich te materialiseren:

'Over de grond van de zaak betoogt [belanghebbende partij] dat artikel 5.6.7, § 1, VCRO correct werd toegepast, dat de stofafzuiginstallatie geen voor de bedrijfsvoering noodzakelijke constructie betreft, dat de normale bedrijfsvoering -zowel vanuit stedenbouwkundig als uit milieutechnisch oogpunt- kan worden voortgezet zonder deze installatie, dat er alternatieven bestaan voor de geplaatste stofafzuiginstallatie, en dat de keuze voor de bestaande installatie ingegeven is door redenen van arbeidsveiligheid. Uit de samenlezing van de artikelen 4.4.19 VCRO en 5.6.7 VCRO leidt zij af dat de zonevreemde uitbreiding van een vergunningsplichtige inrichting, ingegeven door noodzakelijke milieu- of gezondheidsredenen, steeds mogelijk moet zijn. (...) In haar laatste memorie waarschuwt de tussenkomende partij dat het standpunt ingenomen in het verslag van de auditeur “de regelgeving aangaande de uitbreiding van zonevreemde, vergunningsplichtige bedrijven geheel uitholt” omdat “een zonevreemd bedrijf nooit nog kan uitbreiden om milieuredenen of gezondheidsredenen”, terwijl dit nooit de bedoeling kan zijn geweest van de decreetgever. Een en ander klemt volgens haar nog meer omdat een stofafzuiginstallatie op zich niet milieuvergunningsplichtig is en er technische alternatieven voor een dergelijke installatie bestaan'.

Meer tags?