15/04/2018

Over gemeentelijke en gewestelijke bevoegdheden inzake leegstaande en/of verwaarloosde bedrijfsgebouwen

In een vonnis van 27 maart 2018 stelt de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg Brussel dat ‘een bedrijfsgebouw niet noodzakelijk [dient] te zijn opgenomen op de gemeentelijke lijst om te worden geregistreerd, vermits het bevoegde departement ook ambtshalve kan overgaan tot registratie (artikel 3, §2, lid 2 van het decreet van 19 april 1995 houdende maatregelen ter bestrijding en voorkoming van leegstand en verwaarlozing van bedrijfsruimten’. Hiervan moet de belastingsplichtige niet worden ingelicht’.

Eiseres stelde dat zij niet in staat was na te gaan of het registratieattest naar voldoening ondertekend was, met verwijzing naar artikel 5 en 11 van het besluit van de Vlaamse regering van 1 juli 1997 tot uitvoering van het decreet van 19 april 1995 houdende maatregelen ter bestrijding en voorkoming van leegstand en verwaarlozing van bedrijfsruimten. In artikel 5 van het besluit wordt gesteld dat de secretaris-generaal van het departement ruimtelijke ordening, woonbeleid en onroerend erfgoed, - thans departement omgeving – gemachtigd is om ambtenaren te machtigen om de nodige vaststellingen te doen. Artikel 11 bepaalt dan weer dat de secretaris-generaal de daartoe in aanmerking komende bevoegdheden subdelegeert aan de personeelsleden van het departement tot op het meest functionele niveau en dat elke subdelegatie wordt medegedeeld aan het Rekenhof en aan de minister.

De Brusselse rechtbank stelt:

‘Verweerder voert terecht aan dat noch het Decreet, noch het Besluit van 1 juli 1997 een bepaling bevat aangaande vormvoorschriften nopens het registratieattest.

De handtekening van de secretaris-generaal of een door hem aangewezen ambtenaar is derhalve niet voorgeschreven door het decreet of zijn uitvoeringsbepalingen en al zeker niet op straffe van nietigheid van het registratieattest.

Zelfs indien er geen geldig subdelegatiebesluit aan de heer A. zou bestaan, dan nog kan dit niet leiden tot de nietigheid van het registratieattest of de daarin vervatte beslissing om de bedrijfsruimten om te nemen in de inventaris. Dat de heer A. adjunct is van de directeur en werkzaam op het bevoegde departement, wordt door eiseres alsdusdanig niet betwist.’.

Wellicht zal beroep aangetekend worden tegen deze uitspraak.

Referentie: Rb. Brussel, 27 maart 2018, nr. 18/3967 ng. Rolnummer 2017/722/A, (Pub505740)

Stel hier je vraag bij dit blogbericht


Dirk Van Heuven Leegstand
Meer tags?