19/02/2020

Bij intrekking van de door Raad van State geschorste overheidsbeslissing, vallen de gerechtskosten ten laste van de verwerende partij

Het arrest nr. 247.064 van 14 februari 2020 stelt vast dat, ingevolge de intrekking van een eerder door de Raad geschorste beslissing, het vernietigingsberoep ‘doelloos’ is geworden. Evenwel is verzoekende partij daarbij als in het gelijk te stellen partij te beschouwen. Aldus wordt verwerende partij, niettegenstaande de Raad van State het beroep verwerpt, veroordeeld tot de kosten van de vordering tot schorsing, begroot op een rolrecht van 200€, een bijdrage van 20€ en een rechtsplegingsvergoeding van 700€.

De rechtsplegingsvergoeding bedraagt (slechts) 700€ en niet 900€, zoals gebruikelijk als het beroep tot nietigverklaring gepaard gaat met een vordering tot schorsing of tot voorlopige maatregelen, of als de vordering tot schorsing of tot voorlopige maatregelen volgens een procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid ingediend wordt en gepaard gaat met een beroep tot nietigverklaring. De reden is te vinden in artikel 67 §2, laatste lid van het Procedurereglement bij de Raad van State (besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtsplegingsvergoeding voor de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State) dat stelt dat geen verhoging van de rechtsplegingsvergoeding verschuldigd is indien het beroep door de Raad van State doelloos wordt verklaard.

Stel hier je vraag bij dit blogbericht


Dirk Van Heuven Gerechtskosten Intrekking Raad van State
Meer tags?