03/03/2020

Advocaat-Generaal bij het Hof van Justitie: sectorale VLAREM-normen voor windturbines gevat door plan-MER-richtlijn

De Advocaat-Generaal bij het Hof van Justitie is het oordeel toegedaan dat afdeling 5.20.6 van Vlarem II - die normen bevat aangaande slagschaduw, bepaalde veiligheidsaspecten en het geluid dat installaties voor de productie van windenergie maken voor windturbines - een plan of programma uitmaakt dat het kader vormt voor de toekenning van toekomstige vergunningen voor de uitvoering van projecten.

Deze Vlaamse regels konden m.a.w. niet worden vastgesteld zonder voorafgaande milieubeoordeling.

Het luidt:

"1) Nationale regelgeving die nauwkeurige regels bevat inzake slagschaduw, veiligheid en geluid van windturbineparken, en het referentiekader vormt voor de toekenning van vergunningen voor de locatie en de kenmerken van toekomstige projecten voor de oprichting van windturbines, valt onder het begrip ,plannen en programma’s’ van artikel 2, onder a), van richtlijn 2001/42/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 juni 2001 betreffende de beoordeling van de gevolgen voor het milieu van bepaalde plannen en programma’s, en heeft aanzienlijke gevolgen voor het milieu zodat zij een voorafgaande strategische milieubeoordeling in de zin van artikel 3, lid 2, onder a), van die richtlijn vereist.

2) Indien de nationale rechter de exceptie van onwettigheid van de betrokken nationale regelgeving gegrond verklaart, kan hij de consequenties van zijn uitspraak in het hoofdgeding in de tijd beperken teneinde de gevolgen van de vergunningen voor de oprichting van windturbines tijdelijk te handhaven met het doel het milieu te beschermen en, in voorkomend geval, de elektriciteitsvoorziening te waarborgen. Die mogelijkheid is afhankelijk van de naleving van de voorwaarden die zijn vastgesteld in het arrest van 28 februari 2012, Inter-Environnement Wallonie en Terre wallonne (C‑41/11, EU:C:2012:103), en die, voor zover hier van belang, betrekking hebben op richtlijn 2009/28/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen en houdende wijziging en intrekking van richtlijn 2001/77/EG en richtlijn 2003/30/EG.

Het is aan de verwijzende rechter om dit na te gaan. 

De verwijzende rechter kan alsnog de uitspraak in de tijd beperken teneinde de gevolgen voor de vergunningen voor een windturbinepark tijdelijk te handhaven indien anders gevaar voor elektriciteitsvoorziening dreigt.

Benieuwd naar de gevolgen voor de praktijk.

Meer tags?