05/03/2020

Grondwettelijk Hof vernietigt verlenging kerncentrales Doel 1 en 2: gebrek aan milieueffectenbeoordeling ligt hier nu ook dwars

Het Grondwettelijk Hof vernietigt bij arrest van 5 maart 2020 (nr. 34/2020) de wet van 28 juni 2015 "tot wijziging van de wet van 31 januari 2003 houdende de geleidelijke uitstap uit kernenergie voor industriële elektriciteitsproductie met het oog op het verzekeren van de bevoorradingszekerheid op het gebied van energie", waarmee de levensduur van de kernreactoren Doel 1 en 2 tot 2025 werd verlengd, bij gebrek aan een voorafgaandelijke milieueffectenbeoordeling. 

Het Grondwettelijk Hof verduidelijkt zelf in een aanvullende nota:

"Het Hof heeft zich allereerst moeten uitspreken over de bestaanbaarheid van de bestreden wet met de MEB-richtlijn. Die richtlijn voorziet in de verplichting om te verzekeren dat een vergunning vereist is voor projecten die een aanzienlijk milieueffect kunnen hebben en dat een beoordeling van de milieueffecten ervan plaatsvindt. De richtlijn is evenwel niet van toepassing op projecten die in detail worden aangenomen via een nationale wet, voor zover de doelstellingen die met de richtlijn worden nagestreefd, waaronder het verstrekken van informatie, worden bereikt via de wetgevingsprocedure.

In het licht van de preciseringen door het Hof van Justitie over de toepassing van die uitzondering stelt het Hof vast dat de parlementsleden zich hebben beperkt tot een stemming over de verlenging van de centrales, maar niet over de moderniseringswerkzaamheden die daartoe noodzakelijk zijn. De parlementsleden beschikten daarenboven niet over voldoende informatie. Het Hof besluit daaruit dat de bestreden wet aan de vereisten inzake milieueffectbeoordeling en inspraak van het publiek van de MEB-richtlijn is onderworpen (B.13 tot B.17).

Volgens het Hof is de beslissing tot verlenging van de centrales onlosmakelijk verbonden met de moderniseringswerkzaamheden ervan. Beide vormen dus een project dat het voorwerp moest uitmaken van een milieueffectbeoordeling, met raadpleging van het publiek, dat eveneens aan een grensoverschrijdende beoordelingsprocedure moest worden onderworpen, aangezien het aanzienlijke milieueffecten in een andere lidstaat kan hebben. Die beoordeling diende plaats te vinden vóór de toekenning van de vergunning (B.18).

Volgens het Hof beschikten de parlementsleden, op het ogenblik van het aannemen van de bestreden wet, over de lijst van noodzakelijke werkzaamheden en over een LTO-draft van Electrabel. Het was dus mogelijk alle gevolgen van de beslissing tot verlenging vast te stellen en te beoordelen. Met de bestreden wet heeft de wetgever een kaderbesluit genomen waarin het principe van de verlenging van de centrales met tien jaar wordt vastgelegd. De uitvoering van die beslissing en de gevolgen ervan inzake moderniserings- en beveiligingswerkzaamheden waren vastgesteld op het ogenblik van het aannemen van de bestreden wet. Die had bijgevolg moeten worden voorafgegaan door een milieueffectbeoordeling en een raadpleging van het publiek over het principe van de verlenging van de kerncentrales, alsook over de gevolgen van die verlenging inzake moderniserings- en beveiligingswerkzaamheden."

De gevolgen van de bestreden wet blijven evenwel gehandhaafd tot uiterlijk 31 december 2022, teneinde de wetgever in staat te stellen een en ander - m.a.w. het laten opstellen van een voorafgaandelijke milieueffectenrapportage - te remediëren.