07/06/2022

Procedure korte debatten schendt volgens de Raad van State artikel 6 EVRM niet

8. Verzoeker riep in de cassatieprocedure die aanleiding gaf tot het arrest nr. 253.906 van 2 juni 2022 volgende middelen op:

In een eerste middelonderdeel voert F.aan dat hij niet op voorhand wist waarom er werd gekozen voor de procedure met korte debatten, hij dus niet weet of deze procedure een positief of een negatief gegeven is voor zijn beroep, hij geen kennis heeft van het standpunt van de verwerende en de belanghebbende partij, wat anders is voor die partijen die wel degelijk het standpunt uit het verzoekschrift van de verzoekende partij kennen, en hij zich dus in zijn nota niet zinvol kan verdedigen ten opzichte van de beschikking van de RvVb van 2 december 2020. Het feit dat hij niet weet om welke inhoudelijke reden de procedure met korte debatten zal verlopen en zich daarover niet kan verdedigen maakt een schending uit van art. 6.1. van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM). Dit geldt des te meer nu de voorzitter van de RvVb te dezen evengoed had kunnen opteren voor de vereenvoudigde procedure nu hij schijnbaar de mening toegedaan was dat het enige middel kennelijk ongegrond was. Het recht op een eerlijk proces is fundamenteel in een rechtsstaat. Het beginsel van de wapengelijkheid, alsook het contradictoir karakter van de procedure zijn fundamentele elementen van het recht op een eerlijk proces. Het recht op tegenspraak houdt in dat alle partijen de mogelijkheid moeten hebben kennis te nemen van en te antwoorden op de opmerkingen en bewijselementen van de andere partij. Artikel 59 en 59/1 Procedurereglement RvVb verbieden geenszins dat de voorzitter van de RvVb ook in de beschikking waarbij de toepassing van de procedure met korte debatten wordt toegepast toelicht waarom deze procedure wordt toegepast. Door dit niet te doen werd door de RvVb geen wetsconforme interpretatie gegeven aan deze bepalingen zodat deze bepalingen geschonden zijn, noch aan artikel 19 van het decreet van 4 april 2014 ‘betreffende de organisatie en de rechtspleging van sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges’ (hierna: DBRC). Minstens moet in het bijzonder art. 59/2 Procedurereglement RvVb overeenkomstig artikel 159 van de Grondwet buiten toepassing worden gelaten, wegens schending van artikel 6.1. EVRM en het beginsel van wapengelijkheid. Door dit niet te doen heeft de RvVb deze bepalingen miskend.

In een tweede middelonderdeel voert F. aan dat hem de mogelijkheid werd ontzegd om schriftelijk te reageren op de nota’s van de verwerende en de tussenkomende partij. Hij heeft hierdoor niet langer het laatste geschreven woord zoals in de gewone en vereenvoudigde procedure. De overweging in het bestreden arrest dat de mogelijkheid bestond om mondeling te reageren op de nota’s van de wederpartijen, miskent het feit dat door de coronacrisis de RvVb erop aangedrongen heeft om niet in te gaan op deze mogelijkheid.

In het derde middelonderdeel voert hij de schending aan van het gelijkheids- en niet discriminatiebeginsel in de artikelen 10 en 11 van de Grondwet door de artikelen 59 en 59/1 van het Procedurereglement RvVb. Hij voert een discriminatie aan ten opzichte van de vereenvoudigde procedure waarin hij wel met kennis van zaken een nota kan opmaken. Hij voert tevens een discriminatie aan ten opzichte van de gewone procedure waarin het laatste woord toekomt aan de verzoekende partij. Hij vraagt de buitentoepassinglating van de artikelen 59 en 59/2 van het Procedurereglement RvVb. Artikel 19 DBRC is immers geheel inhoudsloos, zodat zich geen prejudiciële vraag voor het Grondwettelijk Hof lijkt op te dringen. Indien de Raad van State dat anders ziet, verzoekt hij de vraag te stellen of artikel 19 DBRC strijdt met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in die mate dat (a) de verzoekende partij, anders dan in de vereenvoudigde procedure, geen kennis heeft van de inhoudelijke reden tot keuze van de procedure met korte debatten en (b) de verzoekende partij, anders dan in de gewone procedure, niet het laatste woord heeft.

De Raad van State verwerpt de 3 middelen:

'9. Het bestreden arrest besluit tot de behandeling in korte debatten na volgende overwegingen:
– de toepassing van de korte debatten is verbonden aan de relatief gemakkelijke beslechting van een geschil, maar staat volledig los van de noodzakelijke grondige beoordeling van het middel van Folkner;
– F. voert niet concreet aan dat zijn middel in het verzoekschrift niet van die aard zou zijn dat het niet in korte debatten kan worden behandeld; hij blijkt daarentegen met zijn betoog de procedure in korte debatten bij de RvVb zoals voorzien in artikel 59/2 van het Procedurereglement RvVb eerder in abstracto te bekritiseren en meent dat deze in de interpretatie zoals toegepast door de RvVb buiten toepassing moet worden gelaten;
– in zoverre F. zich gediscrimineerd voelt ten aanzien van een verzoeker wiens vordering wordt behandeld via de vereenvoudigde procedure dan wel via de gewone procedure, wordt vooreerst opgemerkt dat een verschil in behandeling tussen bepaalde categorieën personen dat voortvloeit uit de toepassing van verschillende procedureregels in verschillende omstandigheden op zich geen discriminatie inhoudt; daarvan zou slechts sprake zijn indien het verschil in behandeling dat voortvloeit uit de toepassing van die procedureregels een onevenredige beperking van de rechten van de daarbij betrokken personen met zich zou meebrengen;
– de verzoekers waarvan de vordering wordt behandeld via de vereenvoudigde procedure zien zich geconfronteerd met het feit dat hun vordering, om één of meerdere redenen die limitatief zijn opgesomd in artikel 59/1 van het Procedurereglement RvVb, niet aan verder onderzoek en tegenspraak zal worden onderworpen; de beschikking vermeldt overeenkomstig die bepaling om welke limitatief opgesomde reden het beroep via de vereenvoudigde procedure wordt behandeld en de verzoekers wordt de mogelijkheid geboden om een verantwoordingsnota in te dienen;
– de procedure in korte debatten is niet in een limitatief opgesomd aantal gevallen van toepassing; artikel 59/2, § 1, 1°, van het Procedurereglement RvVb bepaalt dat in de beschikking wordt vastgesteld “dat het beroep op het eerste gezicht alleen korte debatten vereist”; deze vaststelling impliceert louter dat de zaak op relatief gemakkelijke wijze kan worden beslecht en een behandeling overeenkomstig de gewone rechtspleging geen meerwaarde biedt; de partijen kennen dus de reden waarom een zaak voor de behandeling in korte debatten in aanmerking wordt genomen; het antwoord op de vraag of een beroep kan worden behandeld via korte debatten dan wel veeleer gebaat is bij een behandeling met de gewone rechtspleging, staat of valt overigens niet met het feit of deze of gene partij haar eigen standpunt bevestigd ziet;
– het loutere feit dat de verzoeker in het kader van de korte debatten niet beschikt over de mogelijkheid om schriftelijk te reageren op de antwoordnota of schriftelijke uiteenzetting van de andere procespartijen, in vergelijking met de gewone procedure, houdt op zich geen schending in van de wapengelijkheid tussen de partijen noch van het gelijkheidsbeginsel; gelet op het gegeven dat de partijen via een nota de mogelijkheid hebben om hun standpunten te uiten, zowel ten aanzien van de vaststelling dat de zaak voor korte debatten in aanmerking komt, als ten aanzien van de middelen die in de beschikking worden aangegeven, alsook de mogelijkheid hebben om op een zitting hun standpunten mondeling toe te lichten met kennis van de nota’s die zijn ingediend, is er van een onevenredige beperking van hun rechten geen sprake.

(...)

12. Het eerste middelonderdeel dat stelt dat F. niet werd meegedeeld waarom de procedure van korte debatten wordt toegepast en hij geen kennis heeft van de zienswijze van de verwerende en de belanghebbende partij, mist feitelijke grondslag gelet op de in randnummer 4 aangehaalde inhoud van de beschikking van de voorzitter van de RvVb van 2 december 2020 en gelet op de oproeping van de partijen voor de behandeling van het dossier met korte debatten op de openbare zitting van 9 februari 2021.

Het middelonderdeel dat de schending aanvoert van artikel 6.1 EVRM wordt verworpen.

Het bestreden arrest overweegt dat de beschikking van de voorzitter van de RvVb van 2 december 2020 overeenkomstig artikel 59/1 van het Procedurereglement RvVb vermeldt om welke limitatief opgesomde reden het beroep via de vereenvoudigde procedure wordt behandeld en dat F. de mogelijkheid wordt geboden om een verantwoordingsnota in te dienen.

Uit de gegevens van het dossier waarop de Raad van State acht mag slaan blijkt dat de beschikking de in randnummer 4 vermelde reden opgeeft.


Het eerste middelonderdeel dat aanvoert dat de RvVb geen wetsconforme interpretatie geeft aan de artikelen 59 en 59/1 van het Procedurereglement RvVb en artikel 19 DBRC, mist feitelijke grondslag. (...)

13. Het tweede middelonderdeel dat het bezwaar in de nota met opmerkingen voor de RvVb naar aanleiding van de beschikking van de voorzitter van de RvVb herneemt wat betreft de onmogelijkheid om schriftelijk te reageren op de nota’s van de andere partijen, dwingt de Raad van State tot het overdoen in tweede instantie van de feitelijke beoordeling van de RvVb.
Het tweede middelonderdeel wordt om de in randnummer 9 vermelde reden verworpen.

14. Uit de gegevens van het dossier waarop de Raad van State acht mag slaan, blijkt dat:
– de partijen zijn opgeroepen voor de behandeling van het dossier met korte debatten op de openbare zitting van 9 februari 2021, en
– de procespartijen hebben ingestemd met het schriftelijk behandelen en in beraad nemen van de vordering met toepassing van artikel 85, § 3, van het Procedurereglement RvVb.

Het tweede middelonderdeel dat aanvoert dat de RvVb “door de coronacrisis” de procespartijen gevraagd heeft om af te zien van de behandeling van hun zaak ter zitting, heeft geen belang.

15. Het derde middelonderdeel dat het bezwaar in de nota met opmerkingen voor de RvVb naar aanleiding van de beschikking van de voorzitter van de RvVb wat betreft de schending van het gelijkheidsbeginsel en non-discriminatiebeginsel herneemt, dwingt de Raad van State tot het overdoen in tweede instantie van de feitelijke beoordeling van de RvVb.
Het tweede middelonderdeel wordt om de in randnummer 9 vermelde reden verworpen.

Gelet op de onontvankelijkheid van het derde middelonderdeel, is er geen aanleiding tot het stellen van de voorgestelde prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof.

16. Het enige middel wordt verworpen'.

Meer tags?