24/02/2022

Private herstelvordering en rechtsmisbruik

Met vonnis van 15 februari 2022 heeft de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge, uitspraak gedaan over de private herstelvordering tegen de tuinconstructie die de geburen van eisers hadden opgericht zonder omgevingsvergunning.

De rechtbank oordeelt dat deze tuinconstructie vergunningsplichtig is en niet te beschouwen is als een ‘kleine tuinconstructie en zelfs niet eens als een speeltoestel.

De rechter stelt vast dat de fout (het bouwen zonder vergunning) vaststaat. Hij argumenteert verder:

‘Dat eisers (een zekere) schade lijden staat vast; zij kunnen vanaf hun erf de constructie zien staan, terwijl er ook omgekeerd vanaf de constructie inkijk mogelijk is op hun erf.

Het herstel van toegebrachte schade dient in de regel in natura te gebeuren (vgl. Cass. 5 september 2018, AR nr. P.17.1175.F), hetgeen er in voorliggend geval zou in bestaan dat de constructie wordt afgebroken.

De mogelijkheid voor een schadelijder om het herstel in natura te vorderen wordt evenwel begrensd door het verbod op rechtsmisbruik (wat verweerder ook inroept).

Van rechtsmisbruik is sprake wanneer een recht wordt uitgeoefend op een wijze die kennelijk de grenzen te buiten gaat van de uitoefening van dat recht door een voorzichtig en bedachtzaam persoon. Het begrip ‘kennelijk’ wijst er op dat de rechter slechts een marginaal toetsingsrecht heeft en dat hij de handelswijze van de titularis van het kwestieuze recht slechts bij een flagrant onaanvaardbare rechtsuitoefening mag doorbreken.

Ingeroepen rechtsmisbruik kan niet worden afgewezen, noch aangenomen zonder de verhouding te onderzoeken tussen het voordeel dat de houder van dat recht heeft  beoogd of verkregen en de schade die aan de andere partij berokkend wordt ((vgl. Cass. 4 maart 2021, AR nr. C.20.0404.F; Cass. 19 maart 2015, AR nr. C.13.0218.F en Cass. 20 februari 2015, AR nr. C.14.0163.N).

Bij de beoordeling van de belangen die in het geding zijn, moet de rechter wel rekening houden met alle omstandigheden van de zaak, en met name ook met de houding van degene die andermans recht heeft aangetast (vgl. Cass. 27 januari 2020, AR nr. C. 19.0020.N; Cass. 23 mei 2019, AR nr. C. 2016.0474; Cass. 20 februari 2015, AR nr. C.14.0163.N; Cass. 17 februari 2012, AR nr. C.10.0651.F, AC 2012, nr. 118; Cass. 6 januari 2011, AR nr. C.09.0624.F, AC 2012, nr. 12 en Cass. 8 februari 2010, AR nr. C09.0416.F, AC 2010, nr. 89).

Van rechtsmisbruik is onder meer sprake wanneer:
-    een recht wordt gebruikt voor een doeleinde dat geen verband houdt met dat waarvoor het recht werd toegekend (vgl. Cass. 30 oktober 2014, AR nr. F.2013.0140.F);
-    een recht wordt uitgeoefend met het uitsluitend oogmerk een ander te schaden;
-    het recht wordt aangewend zonder enig nut voor de titularis van het recht;
-    de titularis zijn recht op verscheidene wijzen kan uitoefenen en hij kiest voor de door derden meest nadelige wijze van uitoefening;
-    de veroorzaakte schade niet in verhouding staat tot het voordeel dat de houder van dat recht beoogt of verkregen heeft (zie Cass. 23 mei 2019, AR nr. C.2016.0474.F; Cass. 3 februari 2017, AR nr. C.16.0055.N; Cass. 20 februari 2015, AR nr. C.14.0163.N; Cass. 14 oktober 2010, AR nr.  C.2009.0608.F en Cass. 9 maart 2009, AR nr. C.08.0331.N)
-    rechtsregels of rechtsinstellingen worden aangewend in strijd met het doel waarvoor deze zijn ingesteld (zie Cass. 15 februari 2019, AR nr. C.18.0428.N).
Concreet: contract van wett. samenwoning en verschoonbaar te worden verklaard

Rechtsmisbruik wordt gesanctioneerd, niet door het verbeuren van het recht, maar door het recht tot zijn normale uitoefening te herleiden of door het opleggen van het herstel van de schade die door het misbruik is teweeggebracht (zie Cass. 23 mei 2019, AR nr. C.2016.0474.F). De herleiding van het recht tot zijn normale uitoefening kan zover gaan dat de rechter aan de houder van het recht de mogelijkheid ontzegt om er zich in de gegeven omstandigheden op te beroepen (vgl. Cass; 8 februari 2021, AR nr. S.20.0009.N en Cass. 7 september 2020, AR nr. C.19.0034.N-C.19.0118.N).

Op basis van de voorliggende stukken kan de rechtbank niet met een afdoende zekerheid de werkelijke impact of schade ten gevolge van de niet vergunde constructie inschatten, zodat een plaatsopneming wordt bevolen'.

Referentie: Rb. Brugge 15 februari 2022, nr. 2022/1925 (Pub509626-2)

Stel hier je vraag bij dit blogbericht


Dirk Van Heuven Ruimtelijke ordening & Stedenbouw
Meer tags?