12/11/2021

Over de milieuzorgplicht

In een vonnis van 8 november 2021 geeft de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Dendermonde (strafzaken) volgende verhelderende toelichting over de milieuzorgplicht naar aanleiding van een dossier waarin aan de beklaagde overmatige geurhinder werd verweten:

‘Het opleggen van een algemene zorgvuldigheidsplicht, zoals vervat in artikel 5.4.9., §2 van het Decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, draagt bij tot de verwezenlijking van het recht op de bescherming van een gezond leefmilieu, dat door artikel 23 Grondwet wordt gewaarborgd.

Artikel 4.1.2.1., §1 en artikel 4.1.3.2. VLAREM II concretiseerden deze algemene zorgvuldigheidsplicht in algemene milieuvoorwaarden, geldend voor elke inrichting. Deze verplichtingen gelden ongeacht de verleende omgevingsvergunning en zijn een specificatie van het algemeen voorzorgs- en beheersbeginsel inzake milieu.

Niet elke schade of hinder kan de strafrechtelijke aansprakelijkheid van de overtreders in het gedrang brengen. Een algemene zorgvuldigheidsplicht is opgelegd bij de uitbating met het oog op, wat de omgeving betreft, het vermijden van abnormale hinder, dit is hinder die niet valt binnen de grenzen van wat een redelijk mens in dezelfde omstandigheden dient te aanvaarden als normale hinder ten gevolge van de ligging ten opzichte van de inrichting die aan de oorsprong van die hinder ligt. In de context van het vergunningensysteem, met niet ingedeelde inrichtingen en als hinderlijk beschouwde inrichtingen ingedeeld in klassen naar gelang de graad waarin zij geacht worden belastend te zijn voor de mens en het leefmilieu, door de decreetgever tot stand gebracht, moet immers worden aanvaard dat het hierbij niet kan gaan om elke hinder; hoe gering eventueel ook. Tussen eigendommen in een bepaalde omgeving bestaat een soort evenwicht waarbij elke eigenaar of gebruiker van een eigendom een zekere hinder moet dulden die nu eenmaal eigen is aan het samenleven in een geïndustrialiseerde samenleving.

De opgelegde zorgvuldigheidsplicht is niet beperkt tot het strikt naleven van de wettelijke en administratieve voorschriften, doch is algemeen en omvat aldus elke maatregel van voorzichtigheid of voorzorg.

Degenen tot wie de bepaling is gericht, moeten maatregelen nemen zoals het een normaal zorgvuldige en vooruitziende persoon die zich in dezelfde omstandigheden bevindt, betaamt. Of de betrokkenen aan de algemene zorgvuldigheidsplicht zijn tekortgeschoten, hangt af van hun persoonlijke omstandigheden en moet concreet worden beoordeeld, in voorkomend geval met behulp van adviezen van deskundigen, en rekening houdend met de best beschikbare technieken.

Bij de vaststelling dat niet de best beschikbare technieken werden toegepast en dat niet de nodige maatregelen werden genomen om hinder onder meer door geur te vermijden, moet de rechter niet aangeven wat de best beschikbare techniek dan wel was en welke nodige maatregelen dan wel hadden kunnen genomen worden. Het volstaat dat de rechter vaststelt dat bij de exploitatie niet de best beschikbare technieken werden toegepast ter bescherming van mens en milieu en dat niet de nodige maatregelen werden genomen om de buurt niet te hinderen door, onder meer, abnormale hinder van geur.

De beoordeling van de nodige maatregelen gebeurt niet aan de hand van de criteria voor een inspannings- of resultaatsverbintenis.

De vaststelling van niet-naleving van de milieuzorgplicht moet niet noodzakelijk steunen op metingen. De vaststelling dat de milieuzorgplicht niet is nageleefd kan steunen op alle mogelijke vaststellingen, zoals vaststellingen van bevoegde opsporingsambtenaren. Het criterium is de (ab)normaliteit van een bepaalde hinder’.

Hier nog enkele andere interessante uitspraken: ‘Omwonenden van een bedrijfsterrein moeten inderdaad bereid zijn enige hinder hiervan te verdragen, maar zij moeten geen abnormale onaanvaardbare geuroverlast over een dergelijk lange periode tolereren. Bij de vaststelling dat in de te laste gelegde periode de abnormale hinder zich nog steeds voordeed had E. als nodige maatregel om de hinder te voorkomen uiteindelijk de uitbating van de inrichting, of het deel ervan dat de abnormale hinder veroorzaakte, moeten stopzetten: een normaal voorzichtige exploitant die vaststelt dat bepaalde abnormale hinder zich ondanks het nemen van maatregelen blijft voordoen zal het hinder veroorzakend deel van de exploitatie stilleggen tot dat een effectief middel wordt gevonden om hinder voor de omgeving te voorkomen. Sociale of economische overwegingen vormen geen rechtvaardiging om dit niet te doen, daar de afweging van deze belangen voordien al gebeurde door de decreetgever, die het nodig achtte de milieuzorgplicht aan de exploitanten van een als hinderlijk ingedeelde inrichting op te leggen ongeacht de verleende omgevingsvergunning en de naleving van de voorwaarden ervan, en door de overheid die de omgevingsvergunning verleende. Ook de stopzetting van de exploitatie tot dat een oplossing voor de geurhinder werd bereikt, is niet gebeurd. Dit betreft een economische afweging van het plegen van het misdrijf tegenover het derven van omzet’.

Ref.: Corr. Dendermonde 8 november 2021, nr. 3701/2021, rolnr. 20D002226 (Pub508167-2).

Meer tags?