25/05/2021

Geen planwijzigingen aan de omgevingsvergunningsaanvraag mogelijk dan tenzij op initiatief van de vergunningsaanvrager

Artikel 30 Omgevingsvergunningsdecreet luidt als volgt:

Na het openbaar onderzoek, vermeld in artikel 23, kan de bevoegde overheid, vermeld in artikel 15, op verzoek van de vergunningsaanvrager, toestaan dat er wijzigingen aan de vergunningsaanvraag worden aangebracht.

Het verzoek van de vergunningsaanvrager stelt de bevoegde overheid in staat om te oordelen of de wijzigingen geen afbreuk doen aan de bescherming van de mens of het milieu of de goede ruimtelijke ordening.

Als de bevoegde overheid toestaat dat er wijzigingen aan de vergunningsaanvraag worden aangebracht, dan wordt een openbaar onderzoek over de gewijzigde vergunningsaanvraag georganiseerd als voldaan is aan een van volgende voorwaarden:

1° de wijzigingen komen niet tegemoet aan de adviezen of aan de standpunten, opmerkingen en bezwaren die tijdens het openbaar onderzoek zijn ingediend;
2° de wijzigingen brengen kennelijk een schending van de rechten van derden met zich mee.

Als een openbaar onderzoek wordt georganiseerd over de gewijzigde vergunningsaanvraag, wint de bevoegde overheid, in voorkomend geval, het advies van de bevoegde omgevingsvergunningscommissie, vermeld in artikel 16, § 1, of de adviezen, vermeld in artikel 24, alsnog, dan wel een tweede keer in.’

De Raad van State stelt in het cassatie-arrest nr. 250.629 van 20 mei 2021:
 
'Uit deze klare en duidelijke tekst blijkt dat de bevoegde overheid wijzigingen aan de vergunningsaanvraag kan toestaan wanneer de vergunningsaanvrager daarom verzoekt. Deze bepaling laat de bevoegde overheid niet toe wijzigingen aan de vergunningsaanvraag toe te staan zonder verzoek van de vergunningsaanvrager.

De RvVb die de versie voorafgaand aan de toepasselijke verie van artikel 4.3.1, § 1, tweede en derde lid, VCRO, de impliciete bedoeling van de decreetgever geen afbreuk te willen doen “aan de mogelijkheid om oplossingsgericht vergunnen op basis van deze bepaling mogelijk te maken”, de discretionaire appreciatiebevoegdheid van de vergunningverlenende overheid en de algehele doelstelling van de omgevingsvergunning als motieven aanwendt om “[d]e zeer letterlijke interpretatie van de verzoekende partijen” van de door hen geschonden geachte decretale bepalingen af te wijzen en te besluiten dat “het moeilijk in overeenstemming te brengen [is] met de vermoedde wil van de decreetgever dat de vergunningverlenende overheid enkel op verzoek van de aanvrager en niet ambtshalve een beperkte planwijziging als voorwaarde kan opleggen”, schendt artikel 4.3.1, § 1, tweede en derde lid, VCRO samengelezen met artikel 30 van het omgevingsvergunningsdecreet'.

Referentie PUB507596

Stel hier je vraag bij dit blogbericht


Dirk Van Heuven Omgevingsvergunning
Meer tags?