17/06/2021

Commercieel nadeel tegen een omgevingsvergunning (ook voor louter stedenbouwkundige handelingen) kan wel!

Er wordt verwezen naar onze eerdere blog, waarin werd meegedeeld dat een 'zuiver commercieel belang in stedenbouwkwesties (andermaal) niet aanvaard werd door Raad van State'. 

De arresten van de Raad van State worden nu tegengesproken door het Grondwettelijk Hof (Arrest nr. 92/2021 van 17 juni 2021):

'B.16. Uit hetgeen is vermeld in B.13 tot B.15 blijkt dat noch de tekst van de in het geding zijnde bepaling, noch de parlementaire voorbereiding daarvan toelaat te besluiten dat de decreetgever de toegang tot de Raad voor Vergunningsbetwistingen op veralgemeende wijze heeft willen ontzeggen aan personen die doen blijken van een louter commercieel belang.

De in het geding zijnde bepaling dient bijgevolg zo te worden geïnterpreteerd dat zij niet belet dat de Raad voor Vergunningsbetwistingen zou oordelen dat aan het belangvereiste is voldaan ten aanzien van zulke personen. Het staat aan de Raad voor Vergunningsbetwistingen, in voorkomend geval onder het toezicht van de Raad van State als cassatierechter, te beoordelen of er een voldoende geïndividualiseerd oorzakelijk verband bestaat tussen de aangevoerde commerciële nadelen en de bestreden vergunningsbeslissing. In die interpretatie is de in het geding zijnde bepaling bestaanbaar met de artikelen 10, 11 en 13 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens.

B.17.1. De in B.3 vermelde overweging dat « de regelgeving betreffende de ruimtelijke ordening en de stedenbouw […] in essentie [strekt] tot de bescherming van de goede ruimtelijke ordening en een gezond leefmilieu en […] niet van die finaliteit [mag] worden afgewend ter bescherming van belangen die daar volledig vreemd aan zijn » leidt niet tot een andere conclusie.

B.17.2. Het bestaan van een belangvereiste als voorwaarde voor de toegang tot een rechtscollege dat zich, zoals de Raad voor Vergunningsbetwistingen, uitspreekt in een objectief contentieux, veronderstelt immers dat een onderscheid wordt gemaakt tussen de door een verzoekende partij nagestreefde belangen, die zich verhouden tot de gevolgen van de bestreden rechtshandeling ten aanzien van haar persoonlijke situatie, en de belangen die worden beschermd door de regelgeving waarvan het betrokken rechtscollege de naleving waarborgt.

De vraag in welke mate een schending van de regelgeving betreffende de ruimtelijke ordening en de stedenbouw bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen kan worden aangevoerd door een verzoekende partij die belangen nastreeft die vreemd zijn aan de bescherming van de goede ruimtelijke ordening en een gezond leefmilieu, is dus niet aan de orde bij de beoordeling van het vereiste van een belang bij het beroep als voorwaarde voor de toegang tot de Raad voor Vergunningsbetwistingen, maar hangt samen met de beoordeling van het belang dat de verzoekende partij heeft bij de middelen die zij aanvoert. Die aangelegenheid heeft de decreetgever geregeld in artikel 35, derde lid, van het decreet van 4 april 2014, waarover het Hof te dezen niet wordt bevraagd.'

Een commercieel nadeel kan dus aanzien wordt als hinder of als een nadeel ten gevolge van een omgevingsvergunning (ook zuiver stedenbouwkwestie) en kan dus afdoende zijn om een derde te aanzien als 'betrokken publiek'. 

Bemerk wel dat het Grondwettelijk Hof vragen stelt inzake 'belang bij het middel'. 

Het laatste woord is hierover dus nog niet gezegd... 

 

Meer tags?