01/04/2021

Eerder ingeroepen hoogdringendheid van een onteigening kan wel nog worden beoordeeld in gerechtelijke fase

Het Grondwettelijk Hof heeft in een arrest van 1 april 2021 (met nummer 55/2021) duidelijkheid verschaft over de overgangsregeling uit artikel 124 Onteigeningsdecreet. Concreet blijft de bestuurlijke fase van een onteigeningsprocedure die op 1 januari 2018 reeds afgerond of nog lopende was, onderworpen aan de bepalingen die van toepassing waren voor de inwerkingtreding van het Onteigeningsdecreet. Indien de gerechtelijke fase nog niet was opgestart op 1 januari 2018, wordt deze latere fase wel beheerst door het nieuwe decreet.

In een zaak voor de Vrederechter van het kanton Dendermonde was de bestuurlijke fase verlopen volgens de wet van 26 juli 1962 betreffende de rechtspleging bij hoogdringende omstandigheden inzake onteigening ten algemene nutte. De bestuurlijke fase was afgerond voor 1 januari 2018. De gerechtelijke fase verliep vervolgens overeenkomstig het Onteigeningsdecreet.

De verwijzende rechter interpreteerde de artikelen 122, 4°, en 124 Onteigeningsdecreet in die zin dat wanneer de bestuurlijke fase is verlopen volgens de bepalingen van de wet van 26 juli 1962 en de gerechtelijke fase verloopt volgens de bepalingen van het Onteigeningsdecreet, het niet toekomt aan de rechter om te controleren of al dan niet correct toepassing werd gemaakt van de wet van 26 juli 1962 en meer bepaald of de onteigenende instantie zich al dan niet terecht kon beroepen op hoogdringende omstandigheden die de toepassing van de wet van 26 juli 1962 konden verantwoorden.

Het Hof oordeelt dat dergelijke interpretatie kennelijk verkeerd is:

“De vrederechter dient, in het kader van de bij het decreet van 24 februari 2017 geregelde gerechtelijke fase van de onteigening, te oordelen over de wettigheid van de onteigening op basis van het door de onteigenende instantie neergelegd administratief dossier. Wanneer de bestuurlijke fase van de onteigening is verlopen met toepassing van de wet van 26 juli 1962, dient dat administratief dossier te zijn samengesteld overeenkomstig de regels van die wet. De in het geding zijnde bepalingen kunnen bijgevolg kennelijk niet in die zin worden geïnterpreteerd dat het niet toekomt aan de rechter, in de in de prejudiciële vraag omschreven omstandigheden, om te controleren of de onteigenende instantie al dan niet correct toepassing heeft gemaakt van de wet van 26 juli 1962 en al dan niet machtsoverschrijding of machtsafwending heeft begaan door het juridisch begrip hoogdringendheid te miskennen. De omstandigheid dat het decreet van 24 februari 2017 niet voorziet in een mogelijkheid voor de onteigenende overheid om een onroerend goed onmiddellijk in bezit te nemen, kan kennelijk geen afbreuk doen aan de door de artikelen 50, § 1, eerste lid, en 124 van het decreet van 24 februari 2017 aan de vrederechter verleende bevoegdheid om de wettigheid te beoordelen van een op basis van de wet van 26 juli 1962 verlopen bestuurlijke onteigeningsfase”.

Gezien de prejudiciële vraag berustte op een kennelijk verkeerde interpretatie van de overgangsbepalingen, werd door het Hof geen verder onderzoek verricht naar de grondwettigheid ervan.

Conclusie: tijdens de gerechtelijke fase kan de rechter voor een onteigening gebaseerd op de wet van 26 juli 1962 dus wel degelijk nog nagaan of die wet correct werd toegepast en meer concreet of het juridisch begrip “hoogdringendheid” niet werd miskend.   

U kan het arrest hier lezen.

Meer tags?