21/09/2020

Beoordelingsbevoegdheid van de overheid bij de aktename van een melding klasse 3

In het arrest nr. RvVb-A-2021-0033 heeft de Raad voor Vergunningsbetwistingen zich op 10 september 2020 uitgesproken over een interessant debat over de bevoegdheid van de bevoegde overheid voor de omgevingsvergunningsaanvraag van een inrichting klasse 3.

De RvVb benadrukt dat de bevoegde overheid bij aktename van een melding slechts een beperkte beoordelingsbevoegdheid heeft. De bevoegde overheid moet immers een beslissing nemen over het eventuele meldingsplichtige of niet-verboden karakter van de gemelde handelingen of exploitatie of krachtens artikel 5.4.3, §3 DABM en artikel 4.2.2, §1 VCRO en kan daarbij in voorkomend geval voorwaarden, met inbegrip van bijzondere milieuvoorwaarden, opleggen. De RvVb benadrukt dat de inrichtingen van de klasse 3 in eerste instantie aan de meldingsplicht onderworpen worden om het bestuur toe te laten toezicht uit te oefenen op de naleving van de algemene en sectorale exploitatievoorwaarden die aan deze inrichtingen kunnen opgelegd worden. Dit betekent dat een melding niet de finaliteit kent van een weigerbare vergunningsaanvraag. De bevoegde overheid gaat enkel na of de melding gebeurd is en oordeelt verder binnen haar zeer beperkte beoordelingsbevoegdheid. Die beperkte beoordelingsvrijheid is, aldus de RvVb, te onderscheiden van de toets aan de beoordelingscriteria zoals die worden bepaald in artikel 5.3.1 DABM, wat een beoordelingsgrond is voor de vergunningverlenende overheid met betrekking tot de aanvraag van een omgevingsvergunning. Uit artikel 111 OVD kan geen verplichting voor de aktenemende overheid afgeleid worden tot het toetsen van de hinderaspecten en de goede ruimtelijke ordening van de melding, die in het kader van artikel 111 en 113 OVD en artikel 5.4.3, §3 DABM overstijgt.

Bijzonder is deze overweging:

'Voor zover de verzoekende partij tot slot een schending van het rechtszekerheidsbeginsel opwerpen omdat zij er na het weigeren van de milieuvergunning ervan uit mochten gaan dat ook de aktename van voorliggende melding zou worden geweigerd, miskende zij zoals hoger uiteengezet de finaliteit van de onderscheiden procedures waarbij de beoordelingsbevoegdheid een appreciatiemarge van de verwerende partij in het kader van aktename van een melding wezenlijk verschilt en beperkter is dan deze in het kader van een omgevingsvergunning voor de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit van de eerste of tweede klasse als vermeld in artikel 5.2.1.0 van het DABM. De verzoekende partijen brengen bovendien geen afdoende elementen bij waaruit kan blijken dat de verwerende partij zou afwijken van enig vertrouwenwekkend gedrag dan wel dat zij specifieke beloftes of toezeggingen zou hebben gedaan’.

Referentie: PUB508090

Stel hier je vraag bij dit blogbericht


Dirk Van Heuven Omgevingsvergunning
Meer tags?