30/10/2020

Benoemingsprocedure moet niet afgerond worden, zelfs niet indien er geschikte kandidaten zijn.

Zo oordeelt de Raad van State in een arrest nr. 248.294 van 18 september 2020: ‘In tegenstelling tot verzoeker in de besproken middelen, is de Raad van State er vooralsnog niet van overtuigd dat de verwerende partij, eens zij op grond van het besluit van de Vlaamse regering van 5 maart 2004 „tot vaststelling van het statuut van de provinciegouverneurs en de adjunct van de gouverneur van de provincie Vlaams-Brabant‟ een benoemingsprocedure is begonnen, vanwege dit besluit of vanwege het beginsel patere legem quam ipse fecisti onder geen beding nog ervan mag afzien tot een benoeming over te gaan indien er geschikte kandidaten zijn.

(….)

Wel lijkt het zo dat de vacantverklaring van de betrekking van provinciegouverneur – betrekking die door de decreetgever zelf (artikel 59 van het provinciedecreet) is ingesteld – uitwijst dat de invulling ervan noodzakelijk wordt geacht in het belang van de dienst. Daar volgt uit dat vanwege de materiële motiveringsplicht de overheid voor de eventuele stopzetting van de benoemingsprocedure over deugdelijke redenen dient te beschikken die eveneens verband houden met het belang van de dienst.

Ook het door verzoeker aangevoerde vertrouwensbeginsel sluit niet uit dat zijn verwachting of vertrouwen dat de aangevatte benoemingsprocedure tot het einde toe gevoerd zal worden, toch niet wordt gehonoreerd. Op voorwaarde, zo lijkt, dat dit gerechtvaardigd wordt door een voldoende zwaarwichtige verantwoording.

Te dezen voert de verwerende partij voor de stopzetting vijf redenen aan waarvan zij betoogt dat elke reden op zich reeds van aard is de stopzetting te kunnen verantwoorden. Niet onterecht merkt de verwerende partij in haar nota op dat verzoeker niet elk van de vijf stopzettingsmotieven “ontmoet”, ofschoon ze alle “op zich dragend” zijn. In de besproken middelen gaat verzoeker alleen nader en concreet in op de eerste en de vierde reden. De andere worden op het eerste gezicht onverlet gelaten. In de gegeven omstandigheden doet verzoeker in de besproken middelen op het eerste gezicht niet aannemen dat de verwerende partij zonder afdoende reden voor de stopzetting is’.

Referentie: PUB508279-2

Stel hier je vraag bij dit blogbericht


Dirk Van Heuven Ambtenarenrecht Lokale besturen
Meer tags?