Kortrijk
Motregen
12° - 20°
Antwerpen
Motregen
13° - 19°
Blog
Blog
16 september 2026 | Dirk Van Heuven

Over het verzoek tot voortzetting voor de Raad voor Vergunningsbetwistingen

Als de RvVb een bestreden beslissing niet heeft geschorst, kan de verzoekende partij een verzoek tot voortzetting van de rechtspleging indienen binnen een vervaltermijn van dertig dagen. Als ze dit niet doet, geldt dit ten aanzien van haar als een vermoeden van afstand van geding. Weliswaar kan de verzoekende partij in dat geval vragen om gehoord te worden, maar - zo stelt het arrest nr. RvVbb-2526-1092 van 27 augustus 2026 - uitsluitend over de redenen die het niet tijdig indienen van een dergelijk verzoek kunnen verschonen, te weten redenen die getuigen van een situatie van overmacht, onoverwinnelijke dwaling of verschoningsgronden die haar daarin hebben belemmerd.

Dit zijn de belangrijkste overwegingen van het arrest dat werd geveld in een versnelde procedure:

'Als de Raad de bestreden beslissing niet heeft geschorst, kan de verzoekende partij een verzoek tot voortzetting van de rechtspleging indienen binnen een vervaltermijn van dertig dagen. Als ze dit niet doet, geldt dit ten aanzien van haar als een vermoeden van afstand van geding (artikel 69, tweede lid van het besluit van de Vlaamse regering van 16 mei 2014 houdende de rechtspleging voor sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges, hierna: Procedurebesluit).

De verzoekende partij heeft geen verzoek tot voortzetting van de rechtspleging ingediend.

Wanneer er geen verzoek tot voortzetting werd ingediend, deelt de griffier van de Raad aan de partijen mee dat de afstand van het geding zal worden uitgesproken ten aanzien van de verzoekende partij. De verzoekende partij kan vragen om te worden gehoord binnen een vervaltermijn van vijftien dagen die ingaat de dag na de dag van de betekening van de mededeling door de griffier (artikel 72, §2 Procedurebesluit).

In antwoord op de aangetekende brief van 20 april 2026 waarmee de griffie het voorgaande aan haar meedeelt, vraagt de verzoekende partij op 22 april 2026 om te worden gehoord. Ze betoogt dat ze geen verzoek tot voortzetting heeft ingediend binnen de voorziene termijn omdat er zich “nieuwe elementen” hebben voorgedaan. Ze benadrukt dat ze de uitdrukkelijke bedoeling heeft om het beroep verder te zetten, dat ze geen afstand van beroep doet en dat er bijkomende elementen aan het licht zijn gekomen die relevant zijn voor de beoordeling van de zaak. De verzoekende partij besluit dat deze bijkomende elementen, welke ze kort toelicht, haar actueel en rechtstreeks belang bij de voortzetting van het beroep bevestigen en onderstrepen dat het dossier niet zonder inhoudelijke behandeling kan worden beëindigd.

De verzoekende partij verliest met haar betoog klaarblijkelijk uit het oog dat het horen in toepassing van artikel 72, §2 van het Procedurebesluit uitsluitend betrekking heeft op de vraag waarom ze geen tijdig verzoek tot voortzetting van de procedure heeft ingediend. Met andere woorden houdt de mogelijkheid om te worden gehoord voor de verzoekende partij uitsluitend in dat ze redenen kan aandragen die het niet tijdig indienen van een dergelijk verzoek kunnen verschonen, te weten redenen die getuigen van een situatie van overmacht, onoverwinnelijke dwaling of verschoningsgronden die haar daarin hebben belemmerd. In het betoog van de verzoekende partij is het echter vergeefs zoeken naar dergelijke redenen. Het loutere feit dat het dossier zich verder zou hebben ontwikkeld en er nieuwe elementen zijn die een inhoudelijke behandeling in de ogen van de verzoekende partij verantwoorden, vormt geen reden van overmacht of verschoning ten aanzien van de verplichting die overeenkomstig artikel 69 van het Procedurebesluit op de verzoekende partij rust om tijdig een verzoek tot voortzetting van de rechtspleging in te dienen.

In het licht van het voorgaande ziet de Raad geen redenen die een mildering zouden kunnen verantwoorden ten aanzien van het gevolg dat artikel 69, tweede lid van het Procedurebesluit aan het niet tijdig indienen van een verzoek tot voortzetting verbindt, namelijk dat de verzoekende partij vermoed wordt afstand van geding te doen.

Naar aanleiding van de oproeping voor de zitting van 17 augustus 2026 laat de verzoekende partij weten dat ze wegens verlof niet aanwezig kan zijn op de zitting en dat ze schriftelijk haar verweer wenst te voeren. In haar e-mailbericht van 11 augustus 2026 herneemt ze een aantal inhoudelijke elementen over het dossier.

Ook in dit e-mailbericht vermeldt de verzoekende partij geen redenen die verband houden met het niet tijdig indienen van het verzoek tot voortzetting.

Het vermoeden van afstand van geding overeenkomstig artikel 69, tweede lid van het Procedurebesluit, blijft onverminderd gelden.'

Deel dit artikel