De Vlaamse regering keurde op 3 april 2026 een ontwerp van decreet tot wijziging van het provinciedecreet en het decreet over het lokaal bestuur ter versterking van de deontologie en integriteit in lokale en provinciale besturen goed. Op 29 mei 2026 volgde een tweede goedkeuring van het ontwerp door de Vlaamse regering. Het ontwerp ligt op het moment van schrijven van dit blogbericht (26/08/2026) voor advies bij de afdeling Wetgeving van de Raad van State.
Op 3 oktober 2025 werd, naar aanleiding van de thema-audit ‘Analyse van het integriteitssysteem’ van Audit Vlaanderen (2024), een beleidsnota openbaar gemaakt waarop het ontwerp van decreet is gebaseerd.[1]
Audit Vlaanderen heeft in zijn thema-audit 8 middelgrote gemeenten bevraagd over hun integriteitscultuur. Uit deze bevraging zou blijken dat er meer nood is aan structurele versterking van de lokale integriteitsmechanismen.
Om tegemoet te komen aan deze signalen heeft de Vlaamse regering besloten dat de relevante wetgeving moet gewijzigd worden.
Wanneer dit decreet wordt goedgekeurd, zullen er grondige wijzigingen worden doorgevoerd aan de manier waarop gemeenten en provincies hun deontologische code en deontologische commissie zullen moeten organiseren. Deze nood aan wijziging is niet uniek aan Vlaanderen, want ook in Nederland[2] en Engeland[3] wordt er volop gesleuteld aan de wetgeving rondom deontologische instrumenten.
De voorgestelde wijzigingen aan de deontologische code in artikel 39 van het Decreet Lokaal Bestuur (DLB) hebben voornamelijk betrekking op het opleggen van minimumgronden. De deontologische code zou nu minstens de deontologische rechten en plichten van de gemeenteraadsleden moeten regelen. De grootste wijzigingen aan het artikel zijn echter voorzien voor de deontologische commissie.
In 2023 werd het hebben van een deontologische commissie verplicht voor gemeenten. Het kerndoel van deze commissie is het waken over de naleving van de deontologische code. Nu, drie jaar later, is de Vlaamse Regering van mening dat deze commissie een meer prominente en proactieve rol op zich moet nemen.[4]
Een van de opvallendste wijzigingen is de toevoeging van een minimale taakstelling. Volgens de Vlaamse regering is de maximale gemeentelijke autonomie niet langer aan de orde, omdat de commissies dan te sterk verschillen per gemeente.[5]
In het voorontwerp tot decreet worden vier nieuwe kerntaken omschreven:
De commissie moet tweemaal per bestuursperiode de deontologische code evalueren.
Ze moet reflecteren over de integriteitsrisico’s die kunnen voortvloeien uit de nevenfuncties van de gemeenteraadsleden.
Ze moet klachten behandelen over inbreuken door gemeenteraadsleden.
Ze moet klachten behandelen die de toezichthoudende overheid bezorgt aan de deontologische commissie.
Voor de eerste twee taken zal de commissie optreden als een adviserend orgaan en bij de laatste twee taken zal de commissie een uitspraak doen over de klachten. Een andere grote wijziging is dat eenieder nu een klacht zal kunnen indienen bij de deontologische commissie, waarbij deze klacht dan wel aan vijf vormvoorwaarden zou moeten voldoen. Is deze klacht ontvankelijk, dan spreekt de deontologische commissie er zich over uit.
Enkele organisaties, zoals de Vereniging van Vlaamse Steden en Gemeenten (VVSG), staan eerder kritisch tegenover het voorontwerp tot decreet. De VVSG ondersteunt de doelstelling om de deontologie en integriteit binnen de lokale besturen verder te versterken, maar stelt vragen bij enkele wijzigingen.
Zo wil de VVSG de verplichting tot een algemeen klachtenrecht bv. omzetten naar een aanbeveling, aangezien zij vreest voor onterechte klachten. Daarnaast pleit de VVSG ervoor dat de lokale besturen zelf de keuze moeten kunnen maken wie over de ontvankelijkheid beslist. Ze vraagt dus voornamelijk voor meer ruimte voor lokale autonomie.[6]
Hoe de gemeenten zelf tegenover deze wijzigingen staan, is tot op heden niet bekend.
Ten slotte voorziet het voorontwerp van decreet ook in de uitbreiding van de tuchtmogelijkheden. De nieuwe tuchtgrond ‘ernstige deontologische inbreuk’ wordt in artikel 156 DLB aan het tuchtrechtelijk kader toegevoegd, naast ‘kennelijk wangedrag’ en ‘grove nalatigheid’. De decreetgever wil met deze specifieke tuchtgrond het belang van deontologie voor mandatarissen benadrukken. Met deze nieuwe tuchtgrond willen ze duidelijk maken dat schendingen van deontologische normen als dermate ernstig worden beschouwd dat zij aanleiding kunnen geven tot een tuchtsanctie.
Of al deze veranderingen ook de toets van de Raad van State zullen doorstaan valt nu nog af te wachten. In elk geval wordt dit boeiende onderwerp vervolgd…
Dit blogbericht werd opgemaakt door Aiko Kesteloot, 1ste master student aan de KU Leuven in het kader van haar (succesvolle) zomerstage op het kantoor.
[1] AUDIT VLAANDEREN, Thema-audit: analyse van het integriteitssysteem, 12 december 2024, https://www.auditvlaanderen.be/sites/default/files/2024-12/TA_Integriteit_Globaal%20rapport.pdf
[2] Zie o.a. Wet bevorderen integriteit en functioneren decentraal bestuur van 2023 en
Voorstel tot wet: wijziging van de Gemeentewet, de provinciewet, de Waterschapswet en de Wet openbare lichamen Bonaire, Sint-Eustatius en Saba in verband met de risicoanalyse bestuurlijke integriteit voor kandidaat-bestuurders (Wet bevorderen integriteit en functioneren decentraal bestuur tweede tranche), TWEEDE KAMER, 2025-2026, 3 februari 2026, 36 892.
[3] Zie o.a. LORD EVANS OF WEARDALE, Local Government ethical standards’, Committee on standards in public life, 2019; SANDFORD M., Local government standards in England’, House of commons library, 2025.
[4] Conceptnota ‘versterking van deontologie en integriteit in lokale besturen’, VLAAMSE REGERING, 3 oktober 2025, VR2025 0310 MED. 03621/1 QUATER, 5.
[5] Voorontwerp van decreet tot wijziging van het provinciedecreet van 9 december 2005 en het decreet van 22 december 2017 over het lokaal bestuur, wat betreft de versterking van deontologie en integriteit in lokale en provinciale besturen, VLAAMSE REGERING, 2025-2026, 3 april 2026, VR 2026 0304 DOC.0311/3BIS, 16.
[6] VVSG, ‘Advies over het ontwerp van decreet versterking deontologie en integriteit en memorie van toelichting’, VR 2026 2905 DOC. 0536/4.