Als het dispositief van een overheidsbeslissing niet overeenstemt met de voorgaande motieven, dreigt een vernietiging of, in het geval beslecht met arrest nr. 267.461 van 6 augustus 2026, een schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid.
Het dossier betrof een pop-up oesterbar in Oostduinkerke die eerder op proef vergund was om het openbaar domein tijdelijk in te nemen.
In de bestreden beslissing werd aangegeven dat er heel wat klachten waren gekomen van buurtbewoners en dat de exploitant de voorwaarden niet had nageleefd. Het luidde:
'Overwegende dat het college van burgemeester en schepenen kennis heeft genomen van het volledig dossier en tot het besluit komt dat het aangewezen is om bij het verlenen van een nieuwe vergunning, strengere voorwaarden op te leggen die de hinder voor de omgeving tot een minimum moet beperken'.
Publius voerde de schending aan van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen en van de materiële motiveringsplicht en argumenteerde dat de beslissing die de pop-up bar toeliet op openbaar domein 'intern tegenstrijdig en gebrekkig gemotiveerd is, voornamelijk omdat verwerende partij in éénzelfde besluit stelt strengere regels op te leggen na overlast en inbreuken naar aanleiding van een vorige vergunning, maar vervolgens de toelating juist aanzienlijk uitbreidt qua duurtijd, ingenomen ruimte en terras'.
Uit het schorsingsarrest blijkt dat de Raad van State beschikt over (droge) humor:
De verwerende partij overtuigt er evenmin van dat de toelating om de inname te gebruiken voor het plaatsen van “één wimpel, praattafels en barstoelen” een verstrenging van de voorwaarden uitmaakt, terwijl eerder uitdrukkelijk was bepaald dat het plaatsen van “tafels, stoelen, zitmeubilair of enige ander vorm van meubilaire zitgelegenheid niet is toegestaan”.
De bepaling dat “onterechte innames […] ambtshalve […] door de gemeentelijke diensten [zullen] worden weggenomen” heeft voorts geen betrekking op verstrengde exploitatievoorwaarden, maar biedt hooguit het mogelijk perspectief van een striktere handhaving.
Er blijkt prima facie dus niet dat invulling is gegeven aan het besluit “dat het aangewezen is om bij het verlenen van een nieuwe vergunning, strengere voorwaarden op te leggen die de hinder voor de omgeving tot een minimum moet beperken”.
Het besluit is dan ook dat de motivering van het bestreden besluit, waarin wordt gesteld dat “strengere voorwaarden” moeten worden opgelegd, zich prima facie niet vertaalt in strengere uitbatingsvoorwaarden, wel integendeel'.
Ook de bespreking van de uiterst dringende noodzakelijkheid is interessant:
'De verzoekende partijen beschikken over een eigendom in het gebouw dat grenst aan de parkeerplaatsen waarop de toegelaten inname en exploitatie betrekking heeft.
Zij maken aannemelijk dat, gelet op de residentiële omgeving, in een uithoek van Oostduinkerke, grenzend aan een beschermd duinengebied, de geviseerde exploitatie gedurende vier dagen per week tijdens de maand augustus, en dit van 11.00 tot 21.00 uur, een ernstig risico op verstoring van hun woonomgeving inhoudt en hun levens- en woonkwaliteit zodanig nadelig dreigt te beïnvloeden, dat dit de onmiddellijke schorsing van de tenuitvoerlegging verantwoordt.
Daaraan wordt geen afbreuk gedaan door het feit dat het bestreden besluit verwijst naar maatregelen om de hinder te beperken.
Voorts kan bezwaarlijk betwist worden dat een uitspraak ten gronde te laat zal komen om deze effecten te voorkomen'.