Deze blog werd geschreven door onze zomerstagiair Casper Vantieghem.
Een korte voorgeschiedenis
Het is niet de eerste keer dat de Raad voor Vergunningsbetwistingen dient tussen te komen in dit dossier. Na bestuurlijk beroep werd in februari 2023 een eerder verleende vergunning geweigerd door de Vlaamse Regering. Deze weigering werd vernietigd door de Raad op 15 februari 2024.
De aanvraag tot vergunning werd in 2024 geactualiseerd, onder meer wegens de erkenning in september 2023 van enkele begraafplaatsen en locaties uit de Eerste Wereldoorlog als UNESCO werelderfgoed. Ook werd de aanvraag aangepast aan een nieuwe omzendbrief (OMV/2024/1), waarin uitdrukkelijk aandacht gevraagd wordt voor erfgoedsites bij het oprichten van windturbines. Op 15 september 2025 weigert de Vlaamse Regering de vergunning opnieuw.
De weigering door de Vlaamse Regering
De Vlaamse Regering steunt haar weigering grotendeels op de omzendbrief (OMV/2024/1), die stelt:
'Een dossierspecifieke beoordeling van de impact op de erfgoedwaarde van de site blijft nodig. In die optiek kan verwezen worden van de mogelijkheid tot beoordeling door het Werelderfgoedcomité, cf. de procedure omschreven in §172 van de Operational Guidelines for the Implementation of the World Heritage Convention'
Het agentschap Onroerend Erfgoed bracht een ongunstig advies uit en wees onder meer op de volgens haar vereiste signalering aan het UNESCO-Werelderfgoedcomité. Hoewel de afdeling GOP de inhoudelijke bezwaren van het agentschap niet volledig bijtrad en de impact van de windturbine grotendeels als beperkt beoordeelde, adviseerde ook zij uiteindelijk ongunstig omdat het UNESCO-Werelderfgoedcomité nog niet was geraadpleegd. Nochtans erkent de afdeling GOP in hetzelfde advies dat de impact van reeds bestaande windturbines op erfgoedsites beperkt is, dat de landschappelijke studie grondig en overtuigend is en dat de impact van de nieuwe windturbine ook beperkt zal zijn.
De Vlaamse Regering volgt vreemd genoeg de analyse van de afdeling GOP omtrent de beperkte impact, maar stelt dan, in één zin en zonder verdere motivatie:
'aangezien op heden voor de voorliggende aanvraag nog geen advies is gevraagd aan het UNESCO-comité kan de vergunning niet verleend worden.'
De Vlaamse Regering lijkt dus, zonder dit rechtstreeks te vermelden, ervan uit te gaan dat het inwinnen van het advies van het UNESCO-comité een verplichting uitmaakt.
Oordeel van de Raad
De Raad volgt Elicio nv en oordeelt dat de Vlaamse Regering haar motiverings- en zorgvuldigheidsplicht heeft geschonden. De weigering steunt niet op een concrete beoordeling van de cultuurhistorische impact van het project, maar uitsluitend op het ontbreken van een niet-verplicht advies. Het inwinnen van advies bij het Werelderfgoedcomité heeft geen decretale grondslag. Alhoewel het perfect mogelijk is dat de Vlaamse Regering deze vergunningsaanvraag zou weigeren, dient dit te gebeuren door een zorgvuldig onderzoek naar de concrete gegevens in het dossier, niet door de enkele verwijzing naar een ontbrekend, niet-verplicht advies. Zoals de Raad stelt:
'[Het is de] de plicht van de verwerende partij om zelf te oordelen over de impact van de voorliggende aanvraag op de cultuurhistorische aspecten.'
Gezien deze gebrekkige motivatie, vernietigt de Raad de beslissing van de Vlaamse Regering om de vergunning te weigeren.
Het blijft dus belangrijk voor vergunningverlenende overheden om strikt te voldoen aan de hen opgelegde motivatieplicht. De simpele vaststelling dat een werelderfgoedsite mogelijks bedreigd is en dat een advies van het Werelderfgoedcomité ontbreekt, dat slechts aanbevolen wordt in een omzendbrief, kan de Vlaamse Regering niet ontdoen van haar plicht om op basis van het voorgelegde dossier de impact van de vergunningsaanvraag op de cultuurhistorische aspecten concreet te beoordelen.