Kortrijk
Bewolkt
14° - 21°
Antwerpen
Bewolkt
16° - 23°
Blog
Blog
02 juli 2026 | Merlijn De RechterenLucas Wuyts

Time is money - ook in het omgevingsrecht

In een recent arrest van 28 mei 2026 heeft de Raad van State geoordeeld dat de wettelijk opgelegde adviestermijn – gestipuleerd in artikel 75, § 3 van het besluit van de Vlaamse regering van 27 november 2015 – er tevens toe strekt dat dit advies niet alleen tijdig moet worden uitgebracht in zitting, maar ook binnen diezelfde termijn moet opgeladen op het Omgevingsloket.

In casu besliste het betrokken college van burgemeester en schepenen op 10 maart 2023 in de zitting over haar advies betreffende een omgevingsvergunningsaanvraag voor twee windturbines. De wettelijke adviestermijn verstreek op 11 maart 2023. Het advies werd echter pas op 14 maart 2023 opgeladen in het Omgevingsloket.

Vanwege dit laattijdig opladen, verklaarde de Raad voor Vergunningsbetwistingen het beroep, ingesteld door het college, onontvankelijk. Zij argumenteert:

Artikel 157 [van het besluit van de Vlaamse regering van 27 november 2015] bepaalt dat de adviezen worden aangevraagd en uitgebracht via het uitwisselingsplatform. De tekst van dat artikel is duidelijk en niet voor interpretatie vatbaar. Slechts met het uploaden van het advies via het omgevingsloket wordt het advies kenbaar gemaakt voor de vergunningverlenende overheid. De datum van het opladen van het advies in het Omgevingsloket is dus bepalend voor de beoordeling van de vraag of een advies binnen de in artikel 75, § 3 [van het besluit van de Vlaamse regering van 27 november 2015] voorgeschreven vervaltermijn is uitgebracht.

Het feit dat het college van burgemeester en schepenen binnen de adviestermijn, in casu op 10 maart 2023, heeft beslist over de adviesaanvraag doet daaraan geen afbreuk. Hoewel een tijdig uitgebracht advies vereist dat het college van burgemeester en schepenen binnen de adviestermijn beslist over het advies, is die handeling op zich nog niet bepalend. De [verzoekende partij in cassatie] voert hierover ten onrechte aan dat enkel de datum van de collegezitting bepalend is en niet de datum van advisering via het Omgevingsloket.

Het advies wordt pas uitgebracht door het kenbaar te maken via het Omgevingsloket. Zoals hiervoor vastgesteld, is het advies opgeladen via het Omgevingsloket op 14 maart 2023 en dus buiten de vervaltermijn van vijftig dagen. Het advies is dus laattijdig.

Waar de [verzoekende partij in cassatie] nog aanvoert dat die procedureregeling ‘ernstig in vraag [moet] worden gesteld’, verwijst ze [naar] een tekstgedeelte uit de memorie van toelichting dat handelt over de uitputtingsvereiste. De onontvankelijkheid van [het beroep van de verzoekende partij in cassatie] vindt niet haar grondslag in artikel 105, § 2, tweede lid Omgevingsvergunningsdecreet, maar wel in artikel 105, § 2, eerste lid, 4° dat een tijdig advies als ontvankelijkheidsvoorwaarde vooropstelt. De uiteenzetting van de verzoekende partij en verwijzing naar de toelichting bij een andere bepaling kan niet op nuttige wijze in de voorliggende discussie betrokken worden, noch doet zij afbreuk aan de vaststelling dat buiten de vervaltermijn een advies is uitgebracht. De decretale sanctie verbonden aan het niet tijdig uitbrengen van een advies is dat zij in die hoedanigheid geen ontvankelijk jurisdictioneel beroep kan instellen.

De Raad voor Vergunningsbetwistingen meent aldus dat in dat geval het ingediend beroep door het college van burgemeester en schepenen bij de Raad, niet-ontvankelijk dient te worden verklaard – lees: ze verliest hoedanigheid. Immers, een tijdig afgeleverd advies veronderstelt ook dat dit tijdig kenbaar wordt gemaakt aan de vergunningverlenende overheid.

Met voorliggend arrest van de Raad van State bevestigt zij dus de rechtspraak van de RvVb wat betreft de ontvankelijkheidsvoorwaarden voor een jurisdictioneel beroep bij de RvVb.

Daarbij werd het argument van het betrokken CBS in verband met een overdreven (digitaal) formalisme, verworpen. Zij trachtte dit immers te koppelen aan een schending van het recht op toegang tot de rechter, bepaald in artikel 13 Grondwet en artikel 6.1 EVRM.

Het is met andere woorden thans vereist dat niet alleen het inhoudelijke advies wordt aangenomen binnen de voorgeschreven termijn, maar dat dit ook binnen diezelfde termijn moet worden kenbaar gemaakt – wat in het kader van het omgevingsrecht nu eenmaal via het daar voor voorziene uitwisselingsplatform is.

Deel dit artikel