Op 11 mei 2026 sprak de Raad van State zich in het arrest met nummer 266.628 uit over de vordering tot schorsing van het besluit van de provincieraad van de provincie Oost-Vlaanderen van 17 december 2025 houdende vaststelling van de gemeenschappelijke tekst van het schoolreglement van de Richtpunten voor het schooljaar 2026-2027, dat vanaf 1 september 2026 het dragen van levensbeschouwelijke kentekens verbiedt tijdens alle onderwijsactiviteiten in de provinciale secundaire scholen (het zgn. hoofddoekenverbod). De Raad wees de schorsingsvordering af omdat de verzoekende partijen niet konden aantonen dat sprake was van de vereiste spoedeisendheid.
Schorsing vereist niet enkel een ernstig middel, maar ook spoedeisendheid
De Raad van State herinnert eraan dat een schorsing slechts kan worden bevolen wanneer twee voorwaarden cumulatief zijn vervuld. Enerzijds moet minstens één ernstig middel worden aangevoerd dat een vernietiging op het eerste gezicht kan verantwoorden. Anderzijds moet de zaak dermate spoedeisend zijn dat de verzoekende partij de afloop van de gewone vernietigingsprocedure niet kan afwachten.
De bewijslast aangaande de spoedeisendheidsvereiste rust op de verzoekende partij
Volgens vaste rechtspraak moet een verzoekende partij concreet aantonen waarom de onmiddellijke uitvoering van een beslissing voor haar gevolgen heeft die niet kunnen worden gedragen gedurende de normale duurtijd van een annulatieprocedure. Algemene beweringen volstaan niet. De aangevoerde feiten moeten bovendien voldoende worden gestaafd zodat de Raad de juistheid ervan kan verifiëren.
Deze bewijsvereiste speelt een centrale rol in het arrest.
Verenigingen kunnen zich niet beperken tot verwijzing naar individuele leerlingen
Drie verenigingen hadden zich eveneens aangesloten bij de procedure. Hun uiteenzetting over de spoedeisendheid bestond echter uitsluitend uit een verwijzing naar de situatie van de betrokken leerlingen.
De Raad oordeelt dat dit onvoldoende is. Een vereniging moet aantonen welke concrete nadelen zij zelf ondervindt van de onmiddellijke uitvoering van de bestreden beslissing. Omdat dergelijke uiteenzetting volledig ontbrak, werd de spoedeisendheid voor deze verenigingen zonder meer afgewezen.
Individuele beoordeling van de spoedeisendheidsvereiste
Vervolgens wordt een onderscheid gemaakt tussen de verschillende verzoekende partijen.
Voor één leerlinge stelt de Raad van State vast dat zij zelf verklaarde nog zoekende te zijn in haar religieuze identiteitsontwikkeling en dat zij zich het afleggen van de hoofddoek slechts 'moeilijk' kon voorstellen. Anders dan de andere leerlingen sprak zij niet over een onoverkomelijk gewetensconflict. Volgens de Raad ontbreekt daardoor het onmiskenbaar ingrijpende karakter dat noodzakelijk is om spoedeisendheid aan te nemen.
Zijn er redelijke alternatieven?
Voor de betrokken leerlingen aanvaardt de Raad dat het verbod potentieel een ingrijpende maatregel kan zijn. De Raad van State koppelt hieraan echter een belangrijke nuance.
Volgens de Raad kan spoedeisendheid slechts worden aangenomen indien de leerlingen aannemelijk maken dat er geen redelijk alternatief bestaat om hun opleiding voort te zetten in afwachting van de uitspraak over de vernietiging. Omdat de leerlingen zelf in hun verzoekschrift uitvoerig verwezen naar de beschikbaarheid van andere scholen, onderzoekt de Raad van State precies vanuit dat perspectief de aangevoerde hoogdringendheid.
Het arrest maakt aldus duidelijk dat het bestaan van alternatieven een cruciale factor kan spelen bij de beoordeling van de spoedeisendheid.
Vervolgens onderzocht de Raad concreet de door partijen aangehaalde alternatieven.
Twee leerlingen voerden aan dat zij geen school konden vinden waar zowel hun studierichting als het dragen van een hoofddoek mogelijk was. De provincie wees echter op een school in Zottegem waar dezelfde studierichting werd aangeboden. De Raad stelde vast dat de leerlingen hun bewering dat daar eveneens een hoofddoekenverbod gold, niet konden staven. Uit het schoolreglement bleek op het eerste gezicht ook geen dergelijk verbod.
Ook het argument dat de reistijd buitensporig zou zijn, werd niet aanvaard. De Raad controleerde dit aan de hand van objectieve routegegevens en kwam tot de vaststelling dat de reistijden binnen redelijke grenzen vielen.
Daarom besloot de Raad dat voor deze leerlingen een redelijk alternatief beschikbaar bleef. Hun vrees om een schooljaar te verliezen of van studierichting te moeten veranderen kon daardoor niet langer als grondslag voor spoedeisendheid dienen.
Onvoldoende onderbouwde beweringen worden niet gevolgd
Ook bij andere verzoekende partijen legt de Raad van State de nadruk op de noodzaak van objectieve onderbouwing.
Een leerlinge stelde dat het niveau van de alternatieve scholen te laag lag. De Raad kwalificeert deze stelling als louter gratuit omdat geen enkel bewijs werd voorgelegd. Bovendien had zij zelf reeds gekozen om haar studies via de examencommissie af te werken, wat volgens de Raad aantoont dat zij zelf reeds een alternatief had gevonden.
Een andere leerlinge voerde aan dat de enige alternatieve school kampte met plaatsgebrek. Ook hier ontbrak elk bewijsstuk. De Raad weigert deze bewering daarom in aanmerking te nemen.
Psychische impact moet worden aangetoond
In de mate de leerlingen verwezen naar stress, onzekerheid en psychische belasting als gevolg van het aangekondigde verbod, erkent de Raad van State dat het bestreden besluit mogelijk onrust veroorzaakt. Dat volstaat echter niet om spoedeisendheid aan te tonen. Wie zich op gezondheidsproblemen beroept, moet aantonen dat deze zodanig ernstig zijn dat de afloop van de vernietigingsprocedure niet kan worden afgewacht. In dit dossier ontbraken medische attesten, CLB-documenten of andere objectieve stukken die de gestelde psychische impact konden bevestigen.
Ook deze argumentatie wordt daarom verworpen.
Besluit
Opnieuw kan worden gesteld dat een vordering tot schorsing verworpen wordt omwille van het gegeven dat een verzoekende partij onvoldoende concreet en verifieerbaar aantoont waarom de afloop van de vernietigingsprocedure niet kan worden afgewacht. Doorslaggevend daarbij zijn het bestaan van redelijke alternatieven, het ontbreken van bewijs voor bepaalde feitelijke beweringen en het gebrek aan objectieve staving van de aangevoerde psychische schade.