Ingevolge deze wet kunnen ambtenaren die voor onbepaalde tijd medisch ongeschikt worden verklaard om hun functie uit te oefenen, niet langer definitief op pensioen worden gesteld. Ze krijgen een tijdelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering en omkadering met het oog op re-integratie op de arbeidsmarkt. Een onafhankelijke vakbondsorganisatie meende dat deze hervorming strijdig is met de grondrechten, doch het Grondwettelijk Hof volgt dit standpunt niet.
Er is geen sprake van een schending van de bevoegdheidsverdelende regels tussen de federale overheid en de gemeenschappen en de gewesten. Het afschaffen van het pensioen wegens lichamelijke ongeschiktheid en het invoeren van een vervangende regeling betreft een aangelegenheid van ‘pensioenen’, hetwelk ingevolge artikel 6, § 1,VI, vijfde lid, 12° van de BWHI van 8 augustus 1980 tot de bevoegdheid van de federale overheid behoort. De pensioenregeling wordt uitdrukkelijk uitgesloten van de bevoegdheid van de Gemeenschappen en de Gewesten om het administratief en geldelijk statuut van hun vast, tijdelijk en hulppersoneel te regelen, zoals bepaald in artikel 87, § 3 BWHI. Evenmin is er sprake van een schending van het beginsel van federale loyaliteit, aangezien uit de parlementaire voorbereiding van de wet blijkt dat er hoe dan ook een overleg tussen de federale overheid, de gemeenschappen en de gewesten heeft plaatsgevonden.
Evenmin is het beschermingsniveau verminderd, zodat ook artikel 23 GW, dat een standstill-verplichting omvat, niet geschonden is. Een ambtenaar kan immers eveneens tijdelijk arbeidsongeschikt blijven tot hij op rust wordt gesteld, waarbij een uitkering ontvangt die in principe op dezelfde wijze wordt berekend als het rustpensioen.
In de mate dat de verzoekende partijen opwierpen dat de periode van tijdelijke arbeidsongeschiktheid sneller ingaat en in principe niet in aanmerking wordt genomen voor de berekening van het pensioen of van een eventuele volgende tijdelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering, vloeit dit niet voort uit de bestreden wetsbepalingen, doch wel uit statutaire bepalingen van de bevoegde overheden.
Evenzeer is het onderscheid in de berekening van het pensioen van ambtenaren naargelang ze in tijdelijke arbeidsongeschiktheid blijven tot aan hun pensionering dan wel na een periode van tijdelijke arbeidsongeschiktheid het werk opnieuw hervatten, objectief én redelijk verantwoord.
Bedienaars van erediensten vallen niet onder de wet, doch zij zijn geen overheidsambtenaren.
Ook het onderscheid tussen werknemers, zelfstandigen en ambtenaren in het kader van arbeidsongeschiktheid, berust op een objectief criterium en is het redelijk te verantwoorden. Er zijn namelijk objectieve verschillen tussen deze categorieën. Rekening houdend met de bevoegdheid van de gemeenschappen en gewesten kon de federale wetgever ook oordelen dat afwijkende statutaire bepalingen voorrang hebben op deze regeling van de tijdelijke arbeidsongeschiktheid. Het Hof stelt bovendien vast dat de opgeworpen ongelijkheid voortvloeit uit de verschillende statutaire bepalingen en niet uit de wet van 18 mei 2024.
Het Grondwettelijk Hof besluit dan ook dat de regeling van de tijdelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering voor ambtenaren niet moet worden vernietigd.