Naar luid van artikel 6, §1, van het Regiodecreet van 3 februari 2023 moeten de gemeenten hun intergemeentelijke samenwerkingsverbanden organiseren binnen de grenzen van hun referentieregio. De samenwerkingsverbanden moeten passen binnen de grenzen van een referentieregio of ermee samenvallen.
Op grond van artikel 7, §2, eerste lid, van hetzelfde decreet kan een intergemeentelijk samenwerkingsverband bij de Vlaamse regering een gemotiveerde aanvraag indienen tot tijdelijke of definitieve afwijking van de in artikel 6 vermelde principes. Dergelijke aanvraag moet onder meer 'een motivatie [bevatten] waarom het intergemeentelijk samenwerkingsverband hetzelfde doel niet kan bereiken binnen een intergemeentelijk samenwerkingsverband dat voldoet aan de principes, vermeld in artikel 6' (artikel 7, § 2, tweede lid, 3°).
In het arrest nr. 266.443 van 21 april 2026 doorstond een afwijkingsbeslissing van de Vlaamse regering (na gemotiveerde afwijkingsaanvraag van de 'afvalintercommunale' IMOG, die werd aangevochten door de benadeelde afvalintercommunale IVLA) de toets van de Raad van State:
'Artikel 7, § 3, van het Regiodecreet van 3 februari 2023 bepaalt dat het besluit van de Vlaamse regering over een gemotiveerde afwijkingsaanvraag minstens de volgende elementen moet bevatten:
“1° het al dan niet toestaan van de afwijking;
2° de motivering van de beslissing conform artikel 2 van de wet van 29 juli1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen;
3° de tijdelijke of definitieve aard van de toegestane afwijking;
4° in geval van een tijdelijk toegestane afwijking: de termijn waarin het intergemeentelijke samenwerkingsverband in overeenstemming wordt gebracht met de principes, vermeld in artikel 6 van dit decreet, en de datum waarop de afwijking eindigt.”
Uit voormelde bepalingen volgt dat, hoewel de decreetgever met artikel 6, § 1, van het Regiodecreet van 3 februari 2023 de gemeenten de rechtsplicht heeft opgelegd om hun intergemeentelijke samenwerkingsverbanden regioconform te organiseren, hij tegelijk in de mogelijkheid heeft voorzien dat de gemeenten tijdelijk of definitief van deze rechtsplicht kunnen worden ontslagen door een besluit van de Vlaamse regering.
(...)
In de eerste plaats wordt vastgesteld dat de bestreden beslissing alle elementen bevat die door artikel 7, § 3, van het Regiodecreet van 3 februari 2023 minimaal zijn voorgeschreven, met name dat aan de afvalintercommunale IMOG een afwijking van de principes van regioconform samenwerken wordt toegestaan, deze afwijking van definitieve aard is en de beslissing over de afwijkingsaanvraag formeel wordt gemotiveerd.
In zoverre de verzoekende partij de in de bestreden beslissing opgegeven motieven afzonderlijk betwist, wordt herhaald dat, om te beoordelen of er al dan niet sprake is van een afdoende motivering, zoals vereist door de wet van 29 juli 1991, rekening moet worden gehouden met de volledige motivering.
In het eerste motief van de bestreden beslissing beschrijft de verwerende partij het werkingsgebied van de eerste tussenkomende partij (IMOG) in het licht van de betrokken referentieregio’s. Met het enkele feit dat de verzoekende partij het niet eens is met deze omschrijving en deze omschrijving bovendien onvolledig zou zijn omdat de eerste tussenkomende partij ook toenadering zou kunnen zoeken tot een aantal andere gemeenten van de referentieregio Zuid-West-Vlaanderen, wordt de onwettigheid van het betrokken motief niet aangetoond.
De kritiek van de verzoekende partij op het tweede motief betreft het algemeen geldend karakter ervan voor alle intergemeentelijke samenwerkingsverbanden die een afvalintercommunale vormen. Ook deze kritiek kan, zonder acht te slaan op de overige motieven, niet tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing leiden.
In het derde, het vierde en het vijfde motief worden de doorslaggevende redenen opgegeven waarom de afwijkingsaanvraag volgens de verwerende partij kan worden toegestaan. Zoals vereist door artikel 7, § 2, tweede lid, 3°, van het Regiodecreet van 3 februari 2023 wordt in deze motieven immers uitgedrukt “waarom het intergemeentelijk samenwerkingsverband hetzelfde doel niet kan bereiken binnen een intergemeentelijk samenwerkingsverband dat voldoet aan de principes, vermeld in artikel 6”. Bondig samengevat, wordt in deze motieven gewezen op de voordelen die centralisatie en schaalgrootte bieden voor een efficiënt en duurzaam afvalbeleid en op de aanzienlijke investeringen die kaderen in de uitrol van een langetermijnstrategie. Deze motieven gaan terug op de “gemotiveerde afwijkingsaanvraag” die de eerste tussenkomende partij bij de Vlaamse regering heeft ingediend.
In zoverre de verzoekende partij erop wijst dat overeenkomstig artikel 30, § 3, tweede lid, van het Regiodecreet van 3 februari 2023 afvalintercommunales hun werking pas tegen 31 december 2036 regioconform moeten maken, gaat zij eraan voorbij dat de eerste tussenkomende partij in haar afwijkingsaanvraag uitdrukkelijk heeft gewezen op een aantal lopende engagementen die de voormelde termijn overschrijden. Ondanks de langdurige overgangsperiode, die loopt tot 31 december 2036, heeft de decreetgever afvalintercommunales bovendien niet uitgesloten van de mogelijkheid om een definitieve afwijking van het regioconform samenwerken te verkrijgen. De verzoekende partij gaat er dan ook onterecht van uit dat de principes van het Regiodecreet van 3 februari 2023 zich ertegen verzetten dat afvalintercommunales een definitieve afwijking zouden kunnen verkrijgen. Ook met de bedenking dat het de eerste tussenkomende partij vrijstaat om bijkomende activiteiten te ontwikkelen op het grondgebied van gemeenten die niet bij haar zijn aangesloten, toont de verzoekende partij niet aan dat de in de bestreden beslissing opgegeven motieven onjuist of niet pertinent zijn.
In haar afwijkingaanvraag is de eerste tussenkomende partij omstandig ingegaan op de centralisatie van haar activiteiten in de hub’s van Moen en Harelbeke, heeft zij gewezen op de cruciale rol en het belang van deze hub’s en heeft zij de negatieve gevolgen beschreven die gepaard zouden gaan met een mogelijke uittreding van de gemeenten Wielsbeke en Kruisem. Door de “ernstige verstoring […] van de huidige uniforme en gecentraliseerde werking en schaalgrootte”, waarvan gewag wordt gemaakt in de motivering van de bestreden beslissing, af te doen als een “loutere niet-gestaafde of onderbouwde bewering”, toont de verzoekende partij zelf niet op onderbouwde wijze aan dat de verwerende partij haar beoordeling heeft gesteund op foutieve gegevens. Hetzelfde geldt voor de kritiek op het vijfde motief waarin wordt gewezen op de door de eerste tussenkomende partij geplande investeringen voor een totaalbedrag van 18,8 miljoen euro. In de mate dat de verzoekende partij er meermaals op wijst dat tegenover de uittreding van de gemeente Kruisem staat dat vier nieuwe gemeenten op termijn dienen in te kantelen in de eerste tussenkomende partij, wordt vastgesteld dat deze mogelijke evolutie volledig los staat van de gevraagde afwijking.
Besloten wordt dat uit de motieven van de bestreden beslissing blijkt dat de verwerende partij rekening heeft gehouden met de specifieke situatie van de eerste tussenkomende partij, inzonderheid met haar werking en schaalgrootte, de verworven expertise, de reeds gedane en toekomstige investeringen en de negatieve weerslag van de mogelijke uittredingen. Die motieven vormen een afdoende verantwoording voor het toestaan van de gevraagde afwijking. De verzoekende partij maakt niet aannemelijk dat de bestreden beslissing zou zijn gesteund op onjuiste feitelijke gegevens of dat de keuze om een definitieve afwijking toe te staan de grenzen van de redelijkheid te buiten gaat'.