In een opmerkelijk vonnis van de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Dendermonde, van 6 maart 2026 wordt de schadeaanspraak van eiseres tegen de gemeente en de provincie afgewezen op basis van de leer van de onoverwinnelijke dwaling. Nochtans had de Raad voor Vergunningsbeslissingen een omgevingsvergunning vernietigd, waardoor eiseres aangevatte bouwwerken lange tijd moest onderbreken. Het was echter pas door de nieuwe rechtspraak van de Raad van State (die eerst tussenkwam na de vernietigde vergunning) dat duidelijk werd dat ook voor de wijziging van een feitelijke rooilijn een rooilijnplan vandoen was.
De rechtbank verwoordt het als volgt:
"De fout van de administratieve overheid, die haar aansprakelijkheid in het gedrang kan brengen, bestaat in een gedraging die ofwel neerkomt op een verkeerd optreden dat beoordeeld moet worden volgens de maatstaf van een normaal zorgvuldige en voorzichtige overheid die in dezelfde omstandigheden verkeert, ofwel, behoudens onoverkomelijke dwaling of een andere rechtvaardigingsgrond, een miskenning inhoudt van een nationaal rechtelijke norm of van een internationaal verdrag met rechtstreekse werking in de interne rechtsorde, waarbij deze overheid verplicht is iets niet te doen of iets op een bepaalde manier wel te doen (zie Cass. 21 december 2007, AR C.06.0457.F}.
(…)
Wat betreft het vernietigingsarrest van 10 december 2020, besloot de Raad voor Vergunningsbetwistingen hierin ten eerste dat onterecht geen rooilijnplan werd opgemaakt terwijl de omgevingsvergunning wel een wijziging van de rooilijn (…) met zich meebrengt:
"De verwerende en tussenkomende partijen betwisten dus niet de wijzing/verplaatsing van de rooilijn op zich, doch wel dat daarvoor de procedure uit de artikelen 9 en 10 van het Rooilijnendecreet (opmaak rooilijnplan) had moeten worden gevolgd. Zij menen in essentie dat dit enkel het geval zou zijn, indien de bestaande rooilijn vastgelegd is in een rooilijnplan. Wanneer de bestaande rooilijn zou worden bepaald door de grens tussen het openbaar domein en de aangelande eigendommen en deze vervolgens wordt gewijzigd, zou de procedure niet hoeven te worden gevolgd.
De Raad sluit zich aan bij de verzoekende partijen die deze stelling, in het licht van het arrest van de Raad van State van 17 december 2019 (...), niet langer kan worden volgehouden. Uit het arrest volgt immers onmiskenbaar dat voor elke verplaatsing van een rooilijn, ook van een 'feitelijke" (die wordt bepaald door de grens tussen de openbare weg en aangelande eigendommen), de opmaak van een rooilijnplan vereist is. Voor wat betreft de gemeentewegen vloeit dit voort uit de bepalingen in het Rooilijnendecreet.
(...)
Door de stedenbouwkundige vergunning te verlenen onder voorwaarden, terwijl er geen beslissing van de gemeenteraad houdende definitieve vaststelling van een gemeentelijk rooilijnplan voorlag, waardoor de verwerende partij op onwettige wijze een rooilijnverplaatsing 'goedkeurde', miskent de verwerende partij de bevoegdheid van de gemeenteraad ter zake."
(…)
Zowel de Stad A. als de provincie werpen (…) op dat zij niet aansprakelijk kunnen gesteld worden vermits zij onverwinnelijk zouden hebben gedwaald met betrekking tot de toepassing van het Rooilijnendecreet. Volgens hen bestond tijdens hun beoordeling van de aanvraag tot het bekomen van een omgevingsvergunning de algemene rechtsopvatting dat voor de verplaatsing van een feitelijke rooilijn, zijnde de scheiding tussen de openbare weg en aangelande eigendommen en niet opgenomen in een rooilijnplan, geen rooilijnplan diende opgemaakt te worden.
De provincie en de Stad A. dragen de bewijslast van het bestaan van deze uitsluitingsgrond.
Een rooilijn is de huidige of toekomstige grens tussen de openbare weg en de aangelande eigendommen, vastgesteld in een rooilijnplan. Als een rooilijnplan ontbreekt, is de feitelijke rooilijn de huidige grens tussen de openbare weg en de aangelande eigendommen.
De dwaling over het recht kan door de rechter als onoverkomelijk beschouwd worden, indien uit de omstandigheden kan worden afgeleid dat de administratieve overheid heeft gehandeld zoals elk redelijke en voorzichtige persoon zou hebben gedaan (zie Cass. 8 februari 2008, nr. C.07.0131.F).
De rechtbank volgt de stelling van de provincie en de Stad A. dat zij dwaalden over de noodzaak tot toepassing van het Rooilijnendecreet bij een verplaatsing van een feitelijke rooilijn. Uit de voorgelegde stukken blijkt dat zowel zij, de provinciale omgevingsambtenaar als eiseres zelf in de veronderstelling verkeerden dat de procedure zoals voorzien in de artikelen 9 en 10 van het Rooilijnendecreet niet diende gevolgd te worden voor de verplaatsing van een feitelijke rooilijn gevraagd door een andere partij dan de beheerder van de wegen.
Uit de beschrijvende nota bij haar aanvraag tot het bekomen van een omgevingsvergunning blijkt dat eiseres en de Stad A. de rooilijnen in het project besproken hebben. De gemeenteraad nam op 30 mei 2017 een beslissing over de zaak van de wegen.
De provinciale omgevingsambtenaar was eveneens in de veronderstelling dat de procedure zoals voorzien in het Rooilijnendecreet niet diende gevolgd te worden, zo blijkt uit zijn advies van 27 juni 2019:
(...)
Uit de door de Raad voor Vergunningsbetwistingen gebruikte bewoordingen in haar arrest blijkt voor deze rechtbank wel degelijk dat het pas sinds het arrest van 17 december 2019 van de Raad van State, gekend onder het rolnummer 246.424, duidelijk is dat voor de verplaatsing van elke rooilijn de opmaak van een rooilijnplan noodzakelijk is:
"De Raad sluit zich aan bij de verzoekende partijen die deze stelling, in het licht van het arrest van de Raad van State van 17 december 2019 (...), niet langer kan worden volgehouden. Uit het arrest volgt immers onmiskenbaar dat voor elke verplaatsing van een rooilijn, ook van een ''feitelijke" (die wordt bepaald door de grens tussen de openbare weg en aangelande eigendommen), de opmaak van een rooilijnplan vereist is. Voor wat betreft de gemeentewegen vloeit dit voort uit de bepalingen in het Rooilijnendecreet." (eigen nadruk rechtbank)
(...)
Mocht de wetgeving, het Rooilijnendecreet, en haar toepassing ervan zo duidelijk en niet voor betwisting vatbaar zijn, zoals eiseres voorhoudt, had de Raad voor Vergunningsbetwisting geenszins dergelijke bewoordingen gebruikt en had zij zelf niet hoeven te verwijzen naar een arrest van de Raad van State.
Op geen enkel ogenblik heeft eiseres de afwezigheid van een rooilijnplan bovendien zelf in twijfel getrokken. In haar beschrijvende nota bij haar aanvraag tot het bekomen van een omgevingsvergunning geeft eiseres aan dat de kwestie van de rooilijnen besproken werd met de Stad A. hetgeen aantoont dat eiseres en de Stad A. ervan uitgingen dat geen rooilijnplan diende opgemaakt te worden. Ook blijkt het niet dat na kennisname door eiseres van de bezwaren en het uiteindelijke middel opgeworpen door de omwonenden, eiseres zich hierbij ernstige vragen begon te stellen. Zij verzocht de Stad A. niet om alsnog een rooilijnplan op te stellen. Wel integendeel, zij drong bij de deputatie aan om de vergunning te verlenen en verdedigde vervolgens met vuur en samen met de Stad A. en de provincie de stelling dat er geen rooilijnplan diende opgemaakt te worden.
Bijgevolg, besluit de rechtbank dat de provincie en de Stad A. voor wat betreft de toepassing van het Rooilijnendecreet zich gedragen hebben als een normaal, zorgvuldige administratieve overheid en dat er sprake is van onoverwinnelijke dwaling bij de toepassing van het Rooilijnendecreet"
Ref. Rb. OVL, afd. Dendermonde, AR 23/301/A (PUB507125-4)