In haar tussenvonnis van 16 januari 2026 boog het vredegerecht van Hamme zich over een burenhinderkwestie naar aanleiding van aanhoudende knijtenhinder in het kader van de ontpoldering van het gebied “Groot Schoor”.
De rechter beperkte zich tot de aanstelling van een gerechtsdeskundige, maar formuleerde daarbij twee opmerkelijke overwegingen.
Vooreerst spreekt de vrederechter zich uit over het tijdelijk karakter van de hinder. Verwerende partij benadrukte dat de knijtenproblematiek slechts een overgangsfenomeen betreft dat vanzelf zal verdwijnen naarmate het natuurgebied verder evolueert. De rechter stelt evenwel expliciet dat ‘de tijdelijkheid van de problematiek niet uitsluit dat de hinder (minstens tijdelijk) overmatig kan zijn’. Daarmee lijkt de rechter op eerste zicht te bevestigen dat ook tijdelijke hinder de normale ongemakken van het nabuurschap kan overstijgen.
Daarnaast bevat het vonnis een duidelijke stellingname inzake de toerekenbaarheid van de hinder aan een overheid. Verwerende partij voerde aan dat zij louter uitvoering gaf aan een GRUP zodat hier geen sprake kon zijn van enige toerekenbaarheid. De rechter verwerpt dit argument en herinnert eraan dat ook overheden, zelfs wanneer zij handelen krachtens een wettelijke opdracht, aansprakelijk kunnen zijn voor bovenmatige burenhinder. Er werd verwezen naar de hiërarchie der normen: hoewel GRUP’s (en andere besluiten van de Vlaamse Regering) een verordenend karakter hebben, zijn zij ondergeschikt aan het Burgerlijk Wetboek. Zij kunnen de overheid derhalve geen vrijgeleide verschaffen om haar verplichtingen uit artikel 3.101 BW of artikel 6.5 BW naast zich neer te leggen.
Hoewel het slechts om een tussenvonnis gaat en de beoordeling ten gronde nog moet volgen, zet de rechter hiermee duidelijke bakens uit. Of de hinder daadwerkelijk bovenmatig is, hangt af van de feitelijke beoordeling.