In een verstrekkend arrest nr. 3/26 van 8 januari 2026 heeft het Grondwettelijk Hof geoordeeld dat reglementaire bepalingen in beheersovereenkomsten altijd kunnen aangevochten worden bij de Raad van State. Wetten die anders bepalen zijn ongrondwettig.
In de wet van 19 april 2002 tot rationalisering van de werking en het beheer van de Nationale Loterij wordt voorzien dat het beheerscontract tussen de Belgische Staat en de Nationale Loterij geen akte of reglement is bedoeld in artikel 14 Raad van State-Wet.
Deze bepaling werd strijdig geacht met het gelijkheids- en niet-discriminatiebeginsel en met artikel 13 van de Grondwet dat bepaalt dat niemand tegen zijn wil mag worden afgetrokken van de rechter die de rechter hem toekent.
Dit is de redenering van het Hof:
'B.8. Een beheerscontract, gesloten tussen de Staat en een publiekrechtelijke rechtspersoon met betrekking tot de voorwaarden waaronder die laatste zijn wettelijke opdrachten van openbare dienst vervult, vertoont wezenlijke verschillen met een privaatrechtelijke overeenkomst, zoals te dezen met name wordt bevestigd doordat dat contract pas in werking kan treden nadat het is goedgekeurd bij koninklijk besluit en is bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad (artikelen 14, § 1, en 17 van de wet van 19 april 2002). Sommige van die bepalingen hebben in werkelijkheid een reglementair karakter, en het is niet uitgesloten dat zij een persoonlijk en rechtstreeks nadeel berokkenen aan derden bij het beheerscontract, zoals ook blijkt uit de voormelde rechtspraak van de Raad van State. De keuze van de wetgever om de betrokken aangelegenheden te regelen in een beheerscontract, neemt overigens niet weg dat het merendeel van de daarin vastgestelde voorschriften in beginsel evengoed rechtstreeks het voorwerp zou kunnen uitmaken van een uitvoeringsbesluit.
B.9. Zoals blijkt uit hetgeen is vermeld in B.1.2, heeft de wetgever met de in het geding zijnde bepaling beoogd duidelijkheid te bieden over de kwalificatie van het beheerscontract van de Nationale Loterij en de regeling daaromtrent af te stemmen op die met betrekking tot de autonome overheidsbedrijven. Meer in het algemeen kan worden aangenomen dat de keuze voor de techniek van het beheerscontract is ingegeven door de doelstelling aan de Nationale Loterij een zekere mate van medezeggenschap en zekerheid te waarborgen met betrekking tot de voorwaarden waaronder zij haar opdrachten uitoefent.
Die doelstellingen kunnen niet verantwoorden dat aan de betrokken belanghebbenden de toegang wordt ontzegd tot een rechtscollege dat met volle rechtsmacht, in het kader van een objectief contentieux, kan oordelen over bepalingen met een reglementair karakter en dat daarvan derhalve de vernietiging erga omnes kan uitspreken. De vaststelling van de juridische aard van een beheerscontract dient in de eerste plaats af te hangen van de inhoud en van de werkelijke draagwijdte van de bepalingen ervan, en niet van de kwalificatie die daaraan door de wetgever is gegeven (zie ook RvSt, advies nr. 63.259/4 van 30 april 2018, pp. 10-11; advies nr. 30.511/4 van 13 november 2000, pp. 14-18).
Voor het overige zou een gemeenrechtelijke procedure bij de burgerlijke rechter, in tegenstelling tot wat de Ministerraad aanvoert, te dezen in elk geval geen vergelijkbare waarborgen inzake rechtsbescherming kunnen bieden.
B.10. Uit het bovenstaande volgt dat de in het geding zijnde bepaling een beperking inhoudt van het recht op toegang tot een rechter, zonder dat daarvoor een redelijke verantwoording bestaat. Bijgevolg is die bepaling niet bestaanbaar met de artikelen 10, 11 en 13 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6, lid 1, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens'.
Publius is trots dat ze betrokken was in deze procedure.