Een te grove beoordelingsmethodiek bij gunningscriteria kan tot nietigheid van gunningsbeslissing leiden
Zo oordeelde de Raad van State in het arrest nr. 265.337 van 7 januari 2026. Het betrof een concessiedossier, maar het risico bestaat evenzeer bij overheidsopdrachten.
Dit zijn de overwegingen van de Raad van State:
'De gelijkheid die aan de toewijzing van een concessie ten grondslag dient te liggen, veronderstelt onder meer dat de gegadigden van de concessieverlenende overheid een gelijke kans krijgen om de concessie toegewezen te krijgen, wat inhoudt dat zij zich zowel in de fase van voorbereiding van hun offertes als bij de beoordeling ervan door de concessieverlenende overheid in een gelijke positie moeten bevinden.
Het beginsel patere legem quam ipse fecisti verplicht het bestuur de algemene regels die het zelf heeft vastgesteld te eerbiedigen bij de concrete toepassing ervan. Daaruit vloeit voort dat de verwerende partij bij de beoordeling van de offertes gebonden is door de regels die hieromtrent in het lastenboek zijn vastgesteld.
De keuze van de beoordelingsmethodiek voor de beoordeling van de gunningscriteria behoort tot de discretionaire (beoordelings)bevoegdheid van de concessieverlenende overheid, zij het dat die beoordelingsruimte niet onbeperkt is.
Deze beoordelingsruimte wordt namelijk onder meer beperkt door het gelijkheidsbeginsel en door hetgeen de concessieverlenende overheid zelf in het lastenboek heeft vooropgesteld. De Raad van State mag niet in de plaats van het bestuur de beoordelingsmethode bepalen maar mag, desgevraagd, de gebruikte methode op haar rechtmatigheid toetsen, meer bepaald betreffende de mate waarin deze de gelijke beoordeling van de offertes zou uitsluiten en dus het bepalen van de meest voordelige offerte onmogelijk zou maken.
Luidens punt 3.5. ‘Keuze van de concessionaris’ van het lastenboek wordt de concessie gegund aan de kandidaat die vanuit het oogpunt van de aanbestedende overheid het meest kwalitatieve concessievoorstel heeft ingediend.
Wat de vijf kwalitatieve gunningscriteria betreft, andere dan de geboden concessievergoeding, blijkt de verwerende partij gekozen te hebben voor een beoordelingsmethode die kan worden omschreven als een rangorde-puntentoekenning met vaste, lineaire aftrekstappen, waarbij de specifieke aftrekstappen verschillen per gunningscriterium en waarbij elke inschrijver die nà de laatste aftrekstap wordt gerangschikt, automatisch een nulscore krijgt op het betrokken gunningscriterium.
Wat daarbij vooral klemt is het gegeven dat de vaste, vooraf bepaalde lineaire aftrekstappen grote sprongen in puntentoekenning maken, louter op basis van de plaats in de rangschikking en dit ongeacht de grootte van de inhoudelijke verschillen tussen de offertes.
Dergelijke werkwijze staat haaks op het vereiste van een objectieve beoordeling van de offertes waarbij de intrinsieke waarde van een offerte in de onderlinge vergelijking met de andere offertes dient te worden onderzocht.
De door de verwerende partij gehanteerde beoordelingsmethode schiet tekort nu de concessieverlenende overheid bij de beoordeling in het beoordelingsverslag en de bijbehorende puntentoekenning immers niet blijkt na te gaan hoeveel beter de ene offerte is dan de andere, maar enkel of zij beter is'.