Om tot een wettige tuchtbeslissing te kunnen komen, dient de taalwetgeving in acht genomen te worden.
In het blogbericht van 5 maart 2025 werd reeds gewezen op het feit dat, indien zou blijken dat een deel van het tuchtorgaan de voertaal niet machtig is - hoewel alle leden theoretisch gezien wel tweetalig zouden moeten zijn - de stukken dienen te worden vertaald . Gebeurt dit niet, kan geoordeeld worden dat de rechten van verdediging miskend werden, nu niet alle leden van het tuchtorgaan op volwaardige wijze kennis hebben kunnen nemen van bv. het gevoerde verweer.
In het arrest van 1 oktober 2025 met nummer 264.407 diende de Raad van State zich opnieuw te buigen over een casus waarbij een miskenning van de rechten van verdediging in combinatie met de taalwetgeving aan bod kwam.
Concreet werd door de tuchtonderhorige aangevoerd dat enerzijds een getuige werd gehoord in het Frans terwijl noch de tuchtonderzoekster, noch de aanwezige attaché beschikken over een bewijs van tweetaligheid en de taalrol van de attaché niet is vermeld, en anderzijds de Nederlandse vertaling van het proces-verbaal niet is ondertekend en het niet duidelijk is wie die vertaling heeft opgesteld.
De Raad van State vangt haar beoordeling aan met een herhaling van het belang van het naleven van de taalwetgeving in tuchtzaken:
'Aangezien verzoekster behoort tot de Nederlandse taalrol, diende de besluitvorming over de tuchtsanctie die haar werd opgelegd, uitsluitend in het Nederlands te gebeuren. Dat houdt ook in dat alle essentiële stukken waarop de besluitvorming steunt in het Nederlands moeten zijn opgesteld.'
Wat het afnemen van het verhoor betreft, erkent de Raad van State dat er vragen kunnen gesteld worden bij de naleving van de taalwetgeving, doch leidt dit niet tot de gegrondheid van het argument, omdat het proces-verbaal van verhoor ondertekend werd en bijgevolg geacht wordt een juiste weergave van de verklaring te bevatten:
'Bijgevolg is niet aangetoond dat het verhoor van H.K. werd afgenomen door of in het bijzijn van iemand die het bewijs kan leveren van een voldoende niveau van tweetaligheid om de betrokkene te horen en haar verklaringen te notuleren in een (Nederlandstalige) tuchtprocedure met het oog op een betrouwbaar verslag voor de tuchtoverheid.
10.2. Die vaststelling op zich vitieert evenwel niet de tuchtprocedure. H.K. heeft immers het Franstalige proces-verbaal van haar verhoor samen met de tuchtonderzoekster ondertekend, zodat zij bevestigt dat dit proces-verbaal een correcte weergave van haar verklaringen bevat. Wat in dit stuk is neergeschreven, kan derhalve worden geacht de door H.K. goedgekeurde weergave van haar verklaringen te zijn.'
Wat de vertaling van deze verklaring betreft, is de Raad van State zeer duidelijk. Een 'gewone vertaling' zonder afdoende garanties over de kwalificatie van de vertaler kan niet aanvaard worden. De overwegingen van de Raad zijn hierover onder andere de volgende:
'De vertaling van een anderstalig stuk in een tuchtdossier moet worden gemaakt of gecontroleerd door een persoon die bewijst over een niveau van tweetaligheid te beschikken dat hem in staat stelt om een kwaliteitsvolle vertaling af te leveren, aangezien het in tuchtzaken van essentieel belang is dat de stukken van de procedure geen enkele dubbelzinnigheid vertonen met betrekking tot de betekenis die aan de gedane bevindingen moet worden gegeven en in het bijzonder met betrekking tot de in het dossier opgenomen getuigenverklaringen. In dat proces – de vertaling zelf of de controle ervan – is die tweetaligheid derhalve essentieel. Bij gebrek daaraan, kan aan het vertaalde stuk niet dezelfde bewijswaarde worden toegekend als aan het anderstalige origineel en komen de rechten van verdediging van het tuchtrechtelijk vervolgde personeelslid dat die andere taal niet machtig is – of niet geacht kan worden machtig te zijn – in het gedrang.
In casu blijkt dat C.D.W., die instond voor de vertaling van de verklaring van H.K., met betrekking tot talenkennis de volgende kwalificaties kan voorleggen:
(...)
Uit deze stukken kan niet naar genoegen van recht worden afgeleid dat C.D.W. aantoonbaar over een zodanig niveau van tweetaligheid Nederlands-Frans beschikt dat zij met zekerheid in staat is om duidelijk en ondubbelzinnig naar het Nederlands te vertalen wat in het Frans is verklaard. Een talendiploma in de Germaanse talen beantwoordt niet aan die vereiste. De betrokken ambtenaar heeft weliswaar bijkomende vormingen of opleidingen gevolgd, maar die laten niet toe te besluiten dat de hiervóór beschreven tweetaligheid is verworven. Minstens toont de verwerende partij dit niet aan.
Er ligt aldus geen bewijs voor dat de verklaringen van de getuige, zoals weergegeven in het Franstalige proces-verbaal, werden vertaald door iemand die over het vereiste niveau van tweetaligheid Frans-Nederlands beschikt om aan dergelijke vertalingen het door de wet vereiste betrouwbaarheidskarakter te verlenen.'
Aangezien de desbetreffende verklaring een essentieel onderdeel van het tuchtdossier uitmaakte en deze een decisief, minstens een essentieel onderdeel van de besluitvorming uitmaakte, besluit de Raad van State dat het gemis aan een voldoende betrouwbare vertaling van een dergelijk stuk leidt tot een miskenning van de rechten van verdediging.