In het arrest nr. 236.924 van 9 juli 2025 benadrukt de Raad van State dat 'een normaal zorgvuldig inschrijver op een overheidsopdracht zich bewust moet zijn van de op hem rustende plicht tot het zorgvuldig samenstellen van zijn offerte en het bijvoegen van alle door de opdrachtdocumenten vereiste bewijsstukken'.
Het luidt verder:
'Wanneer in het kader van de kwalitatieve selectie uitdrukkelijk wordt gevraagd om een geldig en “actueel” attest van verzekering tegen beroepsrisico’s voor te leggen, kan hij dan ook niet volstaan met het voorleggen van een attest dat meer dan anderhalf jaar oud is.
Een dergelijk verouderd attest biedt immers reeds op het eerste gezicht geen enkele waarborg dat de vereiste verzekering op het ogenblik van het indienen van de offerte nog steeds effectief van kracht is.
Er mag wel degelijk worden verondersteld dat de verzoekende partij, als redelijk handelend inschrijver, wordt geacht goed en wel te beseffen dat een jarenoud verzekeringsattest in geen geval toereikend kan zijn. Het betreft, anders dan de verzoekende partij aanvoert, dan ook geen onwettigheid in het bestek, maar een voor een normaal zorgvuldig inschrijver geheel te verwachten invulling van de op hem rustende verplichting om tijdig en correct bewijsstukken aan te leveren die de actuele conformiteit met de gestelde selectie-eisen aantonen.
Het behoort in dit verband tot de verantwoordelijkheid van de inschrijver om, indien hij niet over een recent attest beschikt, tijdig een nieuw en bijgewerkt attest op te vragen bij zijn verzekeraar. Hij moet daarbij zelf het nodige initiatief nemen en ervoor zorgen dat hij tijdig alle bewijsstukken indient, die niet alleen formeel volledig moeten zijn, maar ook een correcte en actuele weergave bieden van zijn situatie op het ogenblik van de indiening.
Een inschrijver die nalaat een recent attest te verkrijgen en toch een jarenoud attest bij zijn offerte voegt, handelt niet met de rechtens vereiste zorgvuldigheid en neemt daardoor zelf het risico dat de aanbestedende overheid om die reden zal beslissen dat hij niet aantoont te voldoen aan het betrokken selectiecriterium.
Het feit dat de verzoekende partij thans bij het verzoekschrift recente betalingsbewijzen en een meer recent attest van haar verzekeraar heeft gevoegd, doet geen afbreuk aan het voorgaande. Deze stukken hadden, indien de verzoekende partij had gehandeld als een normaal zorgvuldig inschrijver op een overheidsopdracht, reeds van bij de indiening van haar offerte moeten worden toegevoegd.
Het overleggen van dergelijke stukken pas voor het eerst in het kader van een jurisdictionele procedure, ná het nemen van de bestreden beslissing, is onverenigbaar met het fundamentele gelijkheids- en transparantiebeginsel dat eigen is aan het overheidsopdrachtenrecht. Die beginselen vereisen dat alle inschrijvers op eenzelfde en transparante wijze worden beoordeeld, op basis van de stukken die zij tijdig en binnen de gestelde termijn hebben ingediend. Het zou indruisen tegen de basisprincipes van eerlijke mededinging en gelijke behandeling indien een inschrijver achteraf, na kennisname van een negatieve beslissing, alsnog op nuttige wijze essentiële bewijsstukken zou kunnen voorleggen om zijn offerte alsnog in regel te stellen.
Wat het argument betreft dat de verwerende partij de verzoekende partij had moeten bevragen over het verouderde verzekeringsattest, alvorens te beslissen, wordt opgemerkt dat de Raad van State in het verleden al meermaals heeft geoordeeld dat het in de eerste plaats aan een inschrijver op een overheidsopdracht toekomt om zijn offerte met de nodige zorgvuldigheid samen te stellen in overeenstemming met de bepalingen van het bestek en de door het bestek vereiste stukken bij te voegen. Een inschrijver die zulks niet doet, kan niet met goed gevolg de aanbestedende overheid verwijten hem niet bevraagd te hebben over de gebreken in de samenstelling van zijn offerte. De aanbestedende overheid is op grond van artikel 66, § 3, eerste lid, van de wet van 17 juni 2016 immers niet verplicht om aan de inschrijver te vragen de inlichtingen en documenten met betrekking tot de selectie aan te vullen of toe te lichten. Dit lijkt des te minder te gelden wanneer de verzoekende partij zelf onzorgvuldigheid aan de dag legt, zoals te dezen het geval blijkt te zijn. In de concrete omstandigheden van de zaak lijkt het de verwerende partij bijgevolg op het eerste gezicht niet ten kwade te kunnen worden geduid, ook niet in het licht van het zorgvuldigheids- en het proportionaliteitsbeginsel, dat zij de verzoekende partij niet heeft bevraagd'.