Het Grondwettelijk Hof vernietigt met arrest van 18 september 2025 het zgn. Spoeddecreet van 19 april 2024 en bevestigt zodoende de zgn. Wasserij-rechtspraak van de RvVb. Dit heeft als gevolg dat gemeenten (en provincies) nooit meer een vergunning kunnen behandelen waarbij ze zelf aanvrager of initiatiefnemer zijn. Enige uitzondering daarop lijken de projecten waarvoor geen m.e.r. of m.e.r.-screening vereist zijn.
Met het zgn. Wasserij-arrest van 6 oktober 2022 besliste de Raad voor Vergunningsbetwistingen dat dat zelfs wanneer de gemeente zelf aanvrager of initiatiefnemer is, de gemeentelijke omgevingsambtenaar moet oordelen of al dan niet een volledig project-MER vereist is. Dit zou strijdig zijn met artikel 9bis van de Europese MER-richtlijn dat luidt:
"De lidstaten zorgen ervoor dat de bevoegde instantie of instanties hun uit deze richtlijn voortvloeiende taken op objectieve wijze vervullen en zich niet bevinden in een situatie die tot een belangenconflict aanleiding geeft.
Indien de bevoegde instantie tevens de opdrachtgever is, brengen de lidstaten in elk geval binnen hun organisatie van administratieve bevoegdheden een passende scheiding aan tussen conflicterende functies bij het uitvoeren van de uit deze richtlijn voortvloeiende taken."
De Raad van State stelde als cassatierechter met arrest van 26 maart 2024 hiernavolgende prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie:
“Dient artikel 9bis van richtlijn 2011/92/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten, ingevoegd bij richtlijn 2014/52/EU van 16 april 2014, zo te worden uitgelegd dat, in de gevallen waarin de bevoegde instantie tevens de opdrachtgever is, de passende scheiding tussen conflicterende functies bij het uitvoeren van de uit de richtlijn voortvloeiende taken, eveneens moet worden aangebracht voor de beoordeling of de in artikel 4, lid 2, van de richtlijn bedoelde projecten onderworpen worden aan de beoordeling overeenkomstig de artikelen 5 tot en met 10 van de richtlijn ?”
Met arrest van 8 mei 2025 bevestigde het Hof van Justitie in wezen het standpunt van de RvVb: ook bij m.e.r.-screenings van overheden zelf moet een passende scheiding bestaan tussen de rol van opdrachtgever en beoordelaar, waarbij de betrokken administratieve eenheid over voldoende autonomie en middelen beschikt om objectief te kunnen oordelen.
De decreetgever had in tussentijd de vlucht vooruit genomen met het decreet 19 april 2024 tot wijziging van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning, wat de uitvoering van de taken voor de project-MER-screening betreft. In artikel 5 van dat Spoeddecreet werd een derde lid toegevoegd aan artikel 15/1 van het Omgevingsvergunningsdecreet:
"Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing als louter een project-MER-screening aan de aanvraag wordt toegevoegd. In dat geval is artikel 20, tweede lid, respectievelijk artikel 39, tweede lid, van toepassing.”
De vzw Aktiekomitee Red de Voorkempen heeft tegen het Spoeddecreet een vernietigingsberoep ingesteld bij het Grondwettelijk Hof.
Het Grondwettelijk Hof treedt de verzoeker bij in het arrest nr. 122/2025 van 18 september 2025:
"Weliswaar worden die ambtenaren in hun functie aangewezen door de gemeenteraad, respectievelijk de provincieraad, zijnde de verkozen organen van de gemeente en de provincie, en heeft de decreetgever bepaald dat zij hun taken onafhankelijk en neutraal uitoefenen. Die elementen kunnen evenwel niet volstaan opdat de voormelde ambtenaren over « een werkelijke autonomie » beschikken in de zin van het voormelde arrest van het Hof van Justitie. Het decreet van 25 april 2014 voorziet niet in afdoende structurele en organisatorische waarborgen opdat de omgevingsambtenaren, in de in B.11.2 omschreven situatie, steeds met de vereiste objectiviteit zouden kunnen oordelen over de project-MER-screeningsnota."
Onnodig te zeggen dat dit arrest een aanzienlijke invloed heeft op projecten van lokale besturen. De gemeenten (en provincies) zullen hun eigen projecten niet meer vergunnen, tenzij (vooralsnog) niet eens een project-m.e.r.-screeningsnota vandoen is. Er komt dus heel wat meer werk op de plank van de deputatie.
En wat met al die vergunningen van vroeger? Die zijn allemaal onwettig en kunnen dus de wettigheidstoets van artikel 159 Grondwet niet doorstaan.
Een poging van het Vlaams Gewest om de rechtsgevolgen van de ongrondwettelijkheid van artikel 15/1, derde lid OVD voor de vernietiging te handhaven, werd van tafel geveegd. Het Grondwettelijk Hof oordeelt:
"Enkel het Hof van Justitie kan in beginsel, bij wijze van uitzondering en om dwingende redenen van rechtszekerheid, een voorlopige opschorting toestaan van het effect dat een regel van het Unierecht op het daarmee strijdige nationale recht heeft (HvJ, grote kamer, 6 oktober 2020, C-511/18, C-512/18 en C-520/18, voormeld, punten 216-217)."
Weet dat Bijzondere Wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof voorziet in een vordering tot intrekking van rechterlijke uitspraken van strafgerechten, burgerlijke gerechten en de administratieve rechtbanken voor zover de beslissingen gegrond zijn op de door het Grondwettelijk Hof ongrondwettig bevonden norm. Verder worden de termijnen om administratief of rechterlijk beroep in te stellen heropend wat betreft beslissingen van administratieve en tuchtrechtelijke rechtscolleges, alsook wat betreft individuele en verordenende bestuurshandelingen, voor zover deze gegrond zijn op een door het Hof vernietigde norm. Tot slot is er ook de mogelijkheid om een tweede voorziening in cassatie in te stellen, voor zover die zich uitsluitend beroept op de vernietiging door het Grondwettelijk Hof.
Het Grondwettelijk Hof wijst in fine wel nog op een escaperoute:
"Te dezen doet het gebrek aan handhaving, door het Hof, geen afbreuk aan de mogelijkheid voor de Raad voor Vergunningsbetwistingen om, overeenkomstig artikel 36 van het Vlaamse decreet van 4 april 2014 « betreffende de organisatie en de rechtspleging van sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges », de rechtsgevolgen in stand te houden van een omgevingsvergunning die tot stand is gekomen met toepassing van de bestreden bepaling, desgevallend nadat hij daarover zelf een prejudiciële vraag heeft gesteld aan het Hof van Justitie."